ECLI:NL:CRVB:2007:BB0144

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-4229 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid

Appellant, sinds 2000 arbeidsongeschikt als schoonmaker, kreeg in 2001 een WAO-uitkering toegekend met een mate van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid. Na een eerstejaars herbeoordeling door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige van het UWV werd de uitkering per 29 december 2003 ingetrokken. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht en dat appellant ongeschikt was voor zijn eigen arbeid, maar voldoende geschikt voor andere functies, waardoor zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. In hoger beroep stelde appellant dat zijn beperkingen ongewijzigd waren en dat hij psychiatrische behandeling onderging.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant het oordeel van de rechtbank over zijn ongeschiktheid voor eigen arbeid niet had aangevochten, waardoor dit buiten de reikwijdte van het hoger beroep viel. De Raad vond het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig en zag geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank te wijzigen. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering na zorgvuldige herbeoordeling.

Uitspraak

05/4229 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 31 mei 2005, 04/2050 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 juli 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.L.A.M. van Os, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellant is nog een nader stuk overlegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2007. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Hamerling-Wijn.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, geboren in 1958, is op 7 augustus 2000 door ziekte uitgevallen voor zijn werkzaamheden als medewerker schoonmaak. Per 6 augustus 2001 is hem een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Nadat appellant in het kader van de zogenoemde eerstejaars herbeoordeling is onderzocht door een voor het Uwv werkzame verzekeringsarts en een onderzoek heeft plaats gevonden door een voor het Uwv werkzame arbeidsdeskundige, heeft het Uwv bij besluit van 6 november 2003 de WAO-uitkering per 29 december 2003 ingetrokken.
Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. In verband met dat bezwaar heeft een voor het Uwv werkzame bezwaarverzekeringsarts onderzoek verricht. Op basis van dat onderzoek is geconcludeerd dat appellant in staat moest worden geacht de geduide functies te vervullen. Het bezwaar is bij het thans bestreden besluit van
20 september 2004 dan ook ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen, kort gezegd, dat het onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest, dat het Uwv informatie bij de behandelende sector heeft ingewonnen en dat beperkingen zijn vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is daarbij niet gebleken dat bij appellant te geringe medische beperkingen zijn vastgesteld. Vervolgens was de rechtbank van oordeel dat appellant ongeschikt was voor de door hem laatst verrichte arbeid als schoonmaker, maar dat aan appellant wel voldoende functies konden worden geduid waaruit volgde dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg.
In hoger beroep heeft appellant er op gewezen dat hij nog steeds dezelfde beperkingen heeft als waarvoor hem eerder een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend. Hij heeft, naar eigen zeggen, nog steeds geen normaal dagverhaal en moet ook rust nemen. Voorts wijst hij er op dat hij op en na de datum in geding wel in psychiatrische behandeling was.
Het Uwv heeft ter zitting van de Raad verzocht om het oordeel van de rechtbank te vernietigen voorzover de rechtbank heeft uitgesproken dat appellant ongeschikt was voor zijn laatst verrichte arbeid als schoonmaker. Naar de mening van het Uwv berust dit oordeel van de rechtbank op een verkeerde lezing van de diverse gedingstukken. Het Uwv stelt geen zelfstandig hoger beroep tegen dat onderdeel te hebben kunnen instellen omdat een belang bij een uitspraak als door het Uwv gewenst, ontbrak.
De Raad oordeelt als volgt.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. De Raad wijst er daarbij nog op dat de informatie van het Elisabeth Ziekenhuis te Tilburg, door appellant ingebracht in het hoger beroep, geen aanleiding geeft om de medische situatie van appellant anders te beoordelen nu die informatie enerzijds ziet op een datum bijna twee jaar na de datum in geding en anderzijds niets toevoegt aan de kennis over de psychische toestand van appellant die reeds uit het dossier bekend was. De stellingen van appellant vormen voor het overige een herhaling van hetgeen reeds tegenover de rechtbank is aangevoerd. Aangezien de Raad zich kan verenigen met hetgeen de rechtbank heeft vastgesteld en overwogen, volstaat de Raad er mee te verwijzen naar het oordeel van de rechtbank.
Het hoger beroep slaagt dan ook niet.
De Raad ziet geen aanleiding om zich uit te spreken over het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de ongeschiktheid voor de eigen arbeid. Appellant heeft dat onderdeel niet aangevochten om welke reden dat onderwerp buiten de omvang van het geding in hoger beroep valt. De grenzen van dat geding zijn immers door het hoger beroep van appellant bepaald. Gelet op het uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel van de rechtbank over de ongeschiktheid van appellant voor de eigen arbeid, was er, zo het Uwv het met dat oordeel niet eens was, voor het Uwv geen reden om een hoger beroep dienaangaande achterwege te laten of dat afhankelijk te stellen van de vraag of appellant hoger beroep in zou stellen.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en H.G. Rottier en C.P.M. van de Kerkhof. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2007.
(get.) H. Bolt.
(get.) W.R. de Vries.
CVG