ECLI:NL:CRVB:2007:BB0148

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5318 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks medische beperkingen appellant

Appellant ging in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem die de herziening van zijn WAO-uitkering bevestigde. Het Uwv had de uitkering herzien van een arbeidsongeschiktheid van 80-100% naar 35-45%, omdat appellant volgens de arbeidsdeskundige geschikt was voor bepaalde functies ondanks zijn beperkingen.

De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat de medische beperkingen die door de bezwaarverzekeringsartsen waren vastgesteld niet te gering waren, maar dat appellant met deze beperkingen toch in staat was de voorgehouden functies te vervullen. De Raad nam daarbij ook de overwegingen van de bezwaarverzekeringsarts mee die de diagnose van de psychiater van appellant niet aanleiding vond om de beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst onjuist te achten.

De Raad zag geen reden om de opvatting van de bezwaararbeidsdeskundige over de geschiktheid van appellant voor de functies onjuist te achten. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering naar 35-45% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.

Uitspraak

05/5318 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 14 juli 2005, 04/2034 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 13 juli 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en vervolgens nog nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2007. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Smid.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de aangevallen uitspraak heeft weergegeven.
Bij besluit van 23 februari 2004 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 24 april 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant weliswaar beperkingen ondervindt bij het verrichten van arbeid, maar dat appellant met inachtneming van die beperkingen geschikt is voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.
De Raad kan de rechtbank volgen in haar oordeel dat op grond van de stukken kan worden aangenomen dat de (bezwaar)verzekeringsartsen bij appellant niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld en dat appellant met deze beperkingen in staat is de haar voorgehouden functies te vervullen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de bezwaarverzekeringsarts F.G. Slebus als reactie op de van de zijde van appellant ingebrachte verklaring van psychiater F. Kaya overwogen heeft dat de door deze psychiater gestelde diagnose geen aanleiding geeft de in de Functionele Mogelijkheden Lijst gestelde beperkingen van appellant ten aanzien van arbeid voor onjuist te houden. Daarmee kan de Raad zich verenigen.
De Raad ziet met de rechtbank er op grond van dezelfde overwegingen evenmin aanleiding om de opvatting omtrent de geschiktheid van de functies van appellant van de bezwaararbeidsdeskundige voor onjuist te houden.
Het hoger beroep slaagt niet.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J. Brand en
A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2007.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) W.R. de Vries.
JL