ECLI:NL:CRVB:2007:BB0300
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J. Brand
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering in eerste aanleg
Appellante maakte bezwaar tegen de intrekking van haar WAO-uitkering per 29 juli 2004, omdat haar arbeidsongeschiktheid volgens het UWV minder dan 15% zou zijn. De rechtbank Maastricht verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische beperkingen zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) niet waren onderschat en dat appellante de haar voorgehouden functies kon vervullen.
In hoger beroep stelde appellante dat de beperkingen in de latere FML onjuist en te licht waren en dat onvoldoende rekening was gehouden met haar fysieke en psychische klachten. Ook betwistte zij dat de functies waarop de intrekking was gebaseerd aan haar waren voorgehouden. De Raad stelde vast dat er wel degelijk sprake was van een verbetering in haar medische situatie, onder meer door een succesvolle operatie aan een lipoom en vermindering van psychische klachten.
De Raad oordeelde dat het UWV pas in hoger beroep de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit deugdelijk had gemotiveerd. Daarom werd het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit bleven in stand. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering in eerste aanleg, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.