ECLI:NL:CRVB:2007:BB0480
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over WAO-uitkering wegens motiveringsgebrek
Appellant ontving sinds 1998 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80-100%. In het kader van een vijfdejaars herbeoordeling in 2003 stelde de verzekeringsarts vast dat appellant benutbare arbeidsmogelijkheden had, wat leidde tot verlaging van de uitkering naar 25-35% arbeidsongeschiktheid. Appellant maakte bezwaar en bracht een psychiatrisch rapport in, dat echter geen nieuwe gezichtspunten opleverde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij het oordeel van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts volgde. In hoger beroep oordeelt de Raad dat het UWV pas in hoger beroep een deugdelijke motivering van de schatting heeft gegeven, waardoor het bestreden besluit wegens strijd met de Awb vernietigbaar is.
Desondanks laat de Raad de rechtsgevolgen van het besluit in stand op grond van artikel 8:72 Awb Pro. Tevens veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed. De uitspraak benadrukt het belang van een deugdelijke motivering in bestuursrechtelijke besluiten over sociale zekerheidsuitkeringen.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot verlaging van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.