ECLI:NL:CRVB:2007:BB0484
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Verjaring staat besluit tot invordering WAO-uitkering in de weg
Appellant maakte bezwaar tegen een besluit van het UWV tot invordering van een onverschuldigd betaalde WAO-uitkering. Het UWV had in 1996 al kennis van de onverschuldigde betaling, maar nam pas in 2002 een besluit tot invordering. De Raad oordeelde dat de verjaringstermijn van vijf jaar was verstreken, waardoor het recht om het invorderingsbesluit te nemen was verjaard.
De rechtbank had het bezwaar van appellant ongegrond verklaard, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak omdat het recht op invordering ten tijde van het primaire besluit in 2004 al was verjaard. De Raad stelde dat de verjaringstermijn begint te lopen vanaf het moment dat het UWV bekend is met de feiten die een terugvordering rechtvaardigen.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant en het betaalde griffierecht. Hiermee werd bevestigd dat verjaring een belemmering vormt voor het nemen van een besluit tot invordering van onverschuldigde WAO-uitkeringen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank en oordeelt dat het recht op invordering van de WAO-uitkering was verjaard, waardoor het besluit tot invordering niet rechtsgeldig is.