Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0546

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/3789 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 48 WWBArt. 51 WWBArt. 4:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen in geldleningvorm

Appellant heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen zoals matrassen, bankstellen en een wasmachine. Het College van burgemeester en wethouders van Groningen kende bijzondere bijstand toe in de vorm van een geldlening van €1.454,43.

Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard. Vervolgens werd het beroep bij de rechtbank afgewezen, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad oordeelt dat het College conform het beleid handelt door bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen in principe als geldlening toe te kennen, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen. De Raad vindt geen aanleiding om van dit beleid af te wijken, mede gelet op de openstaande schuld van appellant bij de Gemeentelijke Kredietbank en zijn longklachten.

Daarom wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bijzondere bijstand blijft toegekend in de vorm van een geldlening.

Uitspraak

06/3789 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 12 juni 2006, 05/391 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)
Datum uitspraak: 17 juli 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 5 juni 2007, waar partijen
- met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant en zijn echtgenote hebben op 9 maart 2004, voor zover hier van belang, bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van duurzame gebruiksgoederen, te weten: matrassen, dekbedden, hoofdkussens, twee bankstellen, een kast en een wasmachine. Bij besluit van 1 oktober 2004 heeft het College naar aanleiding van deze aanvraag aan appellant bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening toegekend tot een bedrag van € 1.454,43.
Bij besluit van 29 maart 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van
1 oktober 2004 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van
29 maart 2005 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Artikel 48, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) schrijft voor dat, tenzij in deze wet anders is bepaald, de bijstand wordt verleend om niet. Ingevolge artikel 51, eerste lid, van de WWB kan bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiks-goederen worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, danwel in de vorm van een bedrag om niet. Het tweede lid van artikel 51 van Pro de WWB geeft regels omtrent de afstemming van de aflossingsbedragen en de termijn van de aflossing van de geldlening.
De aanvraag van appellant betreft, voor zover hier van belang, uitsluitend de kosten van duurzame gebruiksgoederen. Het College was derhalve bevoegd de gevraagde bijzondere bijstand toe te kennen in de vorm van een geldlening.
Uit de gedingstukken blijkt dat het College het beleid voert dat voor de kosten van aanschaf van duurzame gebruiksgoederen in principe bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening. In uitzonderlijke gevallen kan bijstand om niet worden verleend.
Naar het oordeel van de Raad gaat dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de kosten van aanschaf van duurzame gebruiksgoederen moeten worden gerekend tot de algemene kosten van het bestaan waarvoor de betrokkene zonodig dient te reserveren.
De Raad stelt vast dat het College heeft gehandeld overeenkomstig dit beleid door appellant bijzondere bijstand toe te kennen in de vorm van een geldlening.
In de aanwezigheid van een schuld bij de Gemeentelijke Kredietbank, waarvan op
29 september 2004 nog een bedrag open stond van € 632,--, noch in de longklachten van appellant ziet de Raad bijzondere redenen gelegen om met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht van het beleid af te wijken.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2007.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) A.C. Palmboom.