ECLI:NL:CRVB:2007:BB0647

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3764 BPW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42a Wet buitengewoon pensioen 1940-1945Art. 4:6 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen afwijzing verzoek herziening pensioenbesluit Wet buitengewoon pensioen 1940-1945

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de Pensioen- en Uitkeringsraad waarin zijn verzoek tot herziening van een eerder pensioenbesluit op grond van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 werd afgewezen. Het verzoek was gebaseerd op vermeende nieuwe feiten en veranderde omstandigheden die appellant aanvoerde.

De Centrale Raad van Beroep verwijst naar eerdere uitspraken waarin soortgelijke klachten en grieven van appellant reeds aan de orde zijn geweest en telkens zijn verworpen. De door appellant aangedragen documenten, waaronder een klachtenrapport uit 1990 en een collage van de behandeling van een bewaarschrift uit 1987, worden wel als nieuw gepresenteerd maar zijn inhoudelijk reeds eerder besproken.

De Raad concludeert dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd die herziening rechtvaardigen. Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard. Tevens wordt geen vergoeding van proceskosten toegekend omdat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn.

De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 12 juli 2007 na een zitting waarbij appellant in persoon is verschenen en verweerster is vertegenwoordigd door een medewerker van de Pensioen- en Uitkeringsraad.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd die herziening rechtvaardigen.

Uitspraak

06/3764 BPW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant)
en
de Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 12 juli 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 30 mei 2006, kenmerk 83065, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2007. Daar is appellant in persoon verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Allereerst verwijst de Raad naar zijn tussen appellant en (de rechtsvoorganger van) verweerster gegeven uitspraken van 17 oktober 1991, nummer BPW 1989/8, van 20 april 1995, nummer BPW 1994/17 en van 27 januari 2000, nummer 97/2859 BPW.
Bij brief van 29 maart 2005 heeft appellant zich wederom tot verweerster gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 42a van de Wet tot herziening van het door verweersters rechtsvoorganger genomen besluit van 27 mei 1987.
In hetgeen door appellant is aangevoerd heeft verweerster evenwel geen aanleiding gezien van de haar in artikel 42a van de Wet gegeven bevoegdheid gebruik te maken en het verzoek om herziening afgewezen bij besluit van 28 juni 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat appellant ook thans geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd zoals bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door appellant in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.
Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Evenals in eerdergenoemde procedures heeft appellant zich gekeerd tegen het door (de rechtsvoorganger van) verweerster ingenomen standpunt over de door hem gestelde deelname aan een staking in 1942 en over de door hem gestelde reden van zijn arrestatie en veroordeling tijdens de verplichte tewerkstelling in Duitsland. Daarbij heeft appellant zich wederom in kritische bewoordingen uitgelaten over de wijze waarop de Stichting 1940-1945 de pensioenaanvraag uit 1984 heeft behandeld.
Naar uit met name de uitspraak van de Raad van 27 januari 2000, nummer 97/2859 BPW, naar voren komt zijn gelijkluidende grieven reeds meermalen door appellant geuit, maar werden deze onvoldoende geacht om de destijds betreden besluiten van verweerster te vernietigen dan wel zijn deze door de Raad verworpen. De door appellant als nieuwe feiten betitelde “klachtenrapport 28 februari 1990” en “collage behandeling bewaarschrift 17 augustus 1987” kunnen naar het oordeel van de Raad in de presentatie wel als nieuw worden aangemerkt, maar zijn naar inhoud reeds eerder aan de orde geweest. De Raad stelt dan ook met verweerster vast dat appellant in het onderhavige verzoek om herziening geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd.
Gezien het voorgaande bestaat geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en P.J. Stolk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2007.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) J.P. Schieveen.
HD
15.06