ECLI:NL:CRVB:2007:BB0887
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Verplichting tijdige ziekmelding bij zwangerschapsgerelateerde klachten volgens artikel 38a Ziektewet
Betrokkene viel op 5 april 2004 uit wegens ziekte en op 21 mei 2004 stelde de bedrijfsarts vast dat de klachten samenhingen met zwangerschap. De werkgever werd hiervan op de hoogte gesteld en diende de ziekmelding pas op 8 juni 2004 in bij het UWV. De Raad toetste de toepassing van artikel 38a Ziektewet, dat voorschrijft dat ziekmelding tijdig moet plaatsvinden, uiterlijk op de tweede dag van ongeschiktheid, en dat de werkgever dit uiterlijk op de vierde dag moet melden aan het UWV.
De Raad bevestigde dat bij zwangerschapsgerelateerde klachten de verplichting tot tijdige ziekmelding pas ontstaat zodra het voor de werkgever redelijkerwijs duidelijk is dat aanspraak op ziekengeld kan worden gemaakt. In deze zaak was de werkgever op 22 mei 2004 op de hoogte van de zwangerschapsgerelateerde aard van de klachten en had hij uiterlijk vier dagen daarna moeten melden.
Omdat de werkgever dit niet deed, was sprake van een overtreding van de meldingsplicht en mocht het ziekengeld tot de datum van melding worden geweigerd. De rechtbank had echter geoordeeld dat de weigering van ziekengeld over de periode vóór 26 mei 2004 onterecht was. De Raad vernietigde deze uitspraak en verklaarde het hoger beroep van het UWV ongegrond, waarmee het besluit tot weigering van ziekengeld tot de datum van melding stand hield.
Uitkomst: De Raad verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt dat het ziekengeld tot de datum van melding terecht is geweigerd.