ECLI:NL:CRVB:2007:BB1028

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-4278 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 WWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing loongerelateerde WW-uitkering wegens onvoldoende loondagen

Appellant stelde beroep in tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een loongerelateerde WW-uitkering door het UWV. De kern van het geschil betrof de vraag of appellant in het kalenderjaar 2003 minimaal 52 dagen loon had ontvangen, zoals vereist in artikel 17 van Pro de Werkloosheidswet.

De rechtbank Breda had het beroep van appellant ongegrond verklaard. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad overwoog dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij in 2003 aan de loondagen-eis voldeed. De jaaropgave van 2003 toonde slechts 38 gewerkte dagen aan, en de aanvullende stukken zoals werkbriefjes en weekstaten overtuigden niet van een onjuiste berekening door het UWV.

De Raad concludeerde dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor een loongerelateerde uitkering en wees het hoger beroep af. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de loongerelateerde WW-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

06/4278 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 4 juli 2006, 06/100 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 1 augustus 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2007. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. Voor een weergave van de relevante feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Die feiten vormen, gelet op de inhoud van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting van de Raad, ook voor de Raad uitgangspunt voor zijn beoordeling in het voorliggende geschil. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
3. De Raad overweegt het volgende.
3.1. In dit geding is de vraag aan de orde of appellant voldeed aan de in artikel 17 van Pro de WW gestelde eis, dat de werknemer aantoont in de periode van vijf kalenderjaren onmiddellijk voorafgaande aan het jaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag is gelegen, in ten minste vier kalenderjaren over 52 of meer dagen per jaar loon te hebben ontvangen, om in aanmerking te komen voor een loongerelateerde uitkering.
Het geding spitst zich daarbij toe op de vraag of appellant gedurende het kalenderjaar 2003 heeft voldaan aan de eis van ten minste 52 dagen loondagen. Het Uwv is uitgegaan van de jaaropgave van 2003 van appellants toenmalige werkgever [werkgever]. Uit de jaaropgave van 2003 valt af te leiden dat appellant in 2003 slechts 38 dagen heeft gewerkt. Naar het oordeel van de Raad is appellant er niet in geslaagd aan te tonen noch aannemelijk te maken dat hij in 2003 over 52 of meer dagen loon heeft ontvangen. Uit de door appellant in hoger beroep overgelegde werkbriefjes en weekstaten is niet gebleken dat het Uwv van een onjuiste berekening is uitgegaan.
4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2007.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) M.D.F. de Moor.