ECLI:NL:CRVB:2007:BB1051

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-4072 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:11 AwbArt. 3:45 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar bij termijnoverschrijding kwijtschelding schulden

Appellante verzocht het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam om kwijtschelding van schulden wegens ten onrechte of te veel gemaakte kosten van bijstand. Het College wees dit verzoek deels af en verklaarde het bezwaar tegen dit besluit niet-ontvankelijk vanwege termijnoverschrijding. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze niet-ontvankelijkverklaring ongegrond.

In hoger beroep betoogde appellante dat artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toegepast had moeten worden, waardoor haar bezwaar ondanks de termijnoverschrijding ontvankelijk had moeten worden verklaard. De Raad oordeelde echter dat geen omstandigheden aanwezig waren die het verzuim rechtvaardigen. De gestelde onwetendheid en het vermeende telefonische advies van een ambtenaar om alsnog bezwaar te maken, konden het verzuim niet verontschuldigen.

De Raad benadrukte dat bestuursorganen niet mogen afwijken van de termijnstelling voor het maken van bezwaar, omdat dit een voorschrift van openbare orde betreft. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens termijnoverschrijding bevestigd.

Uitspraak

06/4072 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juni 2006, 05/3396 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 31 juli 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. H.J.J. Hendrikse, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2007. Voor appellante is verschenen mr. Hendrikse. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.H. Lo Fo Sang, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante heeft op 22 september 2003 het College om kwijtschelding verzocht van schulden wegens ten onrechte of te veel gemaakte kosten van bijstand.
Bij besluit van 16 augustus 2004 heeft het College van verdere terugvordering van een schuld afgezien en met betrekking tot de overige schulden meegedeeld dat appellante thans niet in aanmerking komt voor kwijtschelding.
Bij brief van 21 februari 2005, ontvangen op 28 februari 2005, heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van
16 augustus 2004.
Bij besluit van 2 juni 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 16 augustus 2004 niet-ontvankelijk verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 2 juni 2005 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat in het geval van appellante de termijn voor het maken van bezwaar tegen het besluit van 16 augustus 2004 is overschreden. Appellante betwist dit ook niet maar stelt zich op het standpunt dat in haar geval toepassing had moeten worden gegeven aan artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ingevolge dit artikel blijft niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van de termijn gemaakt bezwaar achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
De Raad volgt appellante daarin niet. Van omstandigheden die toepassing van artikel 6:11 van Pro de Awb rechtvaardigen is geen sprake. De gestelde onwetendheid omtrent de mogelijkheid om bezwaar te maken en het beweerde telefonische advies van 18 februari 2005 van een ambtenaar van het College om alsnog bezwaar te maken, leveren geen grond op om te oordelen dat het verzuim niet aan appellante kan worden tegengeworpen. De Raad wijst er in dit verband op dat in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3:45 van Pro de Awb aan het slot van het besluit van 16 augustus 2004 de bezwaarmogelijkheid is vermeld en dat bestuursorganen niet van de termijnstelling voor het maken van bezwaar kunnen afwijken, omdat het hier om een voorschrift van openbare orde gaat. Het beweerde advies dat een ambtenaar ruim na afloop van de bezwaartermijn aan appellante zou hebben gegeven heeft geen betekenis voor de beoordeling van de vraag of de termijnoverschrijding al dan niet verschoonbaar is.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2007.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.E. Broekman.