ECLI:NL:CRVB:2007:BB1061
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, voltijds productiemedewerkster, meldde zich op 6 maart 2001 ziek met lichamelijke en psychische klachten. Na het einde van de wachttijd van 52 weken werd haar een WAO-uitkering geweigerd. Op 18 april 2003 diende zij opnieuw een aanvraag in, die door het UWV op 26 juni 2003 werd afgewezen omdat haar beperkingen onvoldoende waren om een uitkering toe te kennen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat zij duurzaam beperkt was in haar functioneren door een medisch objectiveerbare ziekte. De Raad oordeelde dat de medische gegevens geen aanleiding gaven om de beperkingen die door verzekeringsartsen waren vastgesteld te betwijfelen.
De arbeidskundige onderbouwing van het besluit was echter pas in hoger beroep nader toegelicht, terwijl het besluit dateerde van vóór 1 juli 2005. De Raad vernietigde het bestreden besluit vanwege deze gebrekkige onderbouwing, maar liet de rechtsgevolgen ervan in stand. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot weigering van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.