ECLI:NL:CRVB:2007:BB1078
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WW-dagloon met terugwerkende kracht wegens ontbreken nieuw feiten
Appellant, werkzaam in de bouwnijverheid, verzocht om herziening van zijn WW-dagloon nadat het UWV had vastgesteld dat in het verleden de vroegpensioenpremie niet correct was verwerkt, wat leidde tot een te laag vastgesteld dagloon. Het UWV besloot echter alleen herziening toe te passen vanaf de datum van het verzoek en niet met terugwerkende kracht, omdat de fout geen nieuw feit of veranderde omstandigheid vormde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het feit dat het UWV in het verleden onjuist heeft gehandeld niet als nieuw feit kan worden aangemerkt en dat het UWV een zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt door alleen lopende uitkeringen vanaf het verzoek te herzien.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en nationale en internationale anti-discriminatiebepalingen werd eveneens verworpen. De Raad benadrukte dat appellant en anderen de mogelijkheid hadden om eerder rechtsmiddelen te gebruiken tegen de onjuiste vaststelling, maar dit niet hebben gedaan. De uitspraak bevestigt het beleid van het UWV en de toepassing van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV het WW-dagloon niet met terugwerkende kracht hoeft te herzien wegens het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.