ECLI:NL:CRVB:2007:BB1128
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WW-dagloon wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden
Appellant, werkzaam in de bouwnijverheid, verzocht om herziening van zijn WW-dagloon nadat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in 2004 ontdekte dat het dagloon in het verleden onjuist was vastgesteld vanwege een fout in de werkinstructies.
Het Uwv besloot herzieningsverzoeken alleen te honoreren voor nog lopende uitkeringen vanaf de datum van het verzoek en niet met terugwerkende kracht. Appellant diende een verzoek in, dat werd afgewezen en deze afwijzing werd door de rechtbank bevestigd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de onjuiste vaststelling van het dagloon geen nieuw feit of veranderde omstandigheid vormt zoals bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De Raad vond de belangenafweging van het Uwv zorgvuldig en evenwichtig en verwierp ook de beroepen op het gelijkheidsbeginsel en discriminatie.
De Raad benadrukte dat het bestuursorgaan mag volstaan met afwijzing van een herzieningsverzoek als geen nieuwe feiten of omstandigheden worden aangevoerd. Het beroep van appellant werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het verzoek tot herziening van het WW-dagloon met terugwerkende kracht wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.