ECLI:NL:CRVB:2007:BB1146
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen herleving van WW-uitkering bij meer dan zes maanden niet-beschikbaarheid voor werk
Appellante ontving aanvankelijk een WW-uitkering die werd beëindigd vanwege ziekte. Na een periode van arbeidsongeschiktheid en het ontvangen van een WAO-uitkering, werd haar WW-uitkering gedeeltelijk voortgezet. Deze werd echter stopgezet bij toekenning van een Ziektewet-uitkering, die na 52 weken eindigde. Appellante vroeg vervolgens herleving van de WW-uitkering aan, maar dit werd geweigerd omdat zij niet binnen zes maanden na het einde van de Ziektewet-uitkering beschikbaar was voor werk.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en ook in hoger beroep werd dit standpunt bevestigd. Appellante stelde dat de eerste werkloosheidsdag van rechtswege ontstaat en niet door haar of het uitvoeringsorgaan kan worden bepaald, waarmee zij betoogde dat zij zich eerder beschikbaar had gesteld. De Raad oordeelde echter dat uit de stukken niet bleek dat zij binnen zes maanden beschikbaar was voor werk.
Hierdoor kon de WW-uitkering niet herleven volgens artikel 21, derde lid, van de WW. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een vergoeding van proceskosten af. De beslissing werd uitgesproken door C.P.J. Goorden op 1 augustus 2007.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WW-uitkering niet herleeft omdat appellante langer dan zes maanden niet beschikbaar was voor werk.