ECLI:NL:CRVB:2007:BB1151
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens onvoldoende arbeidsurenverlies
Appellante was werkzaam als schoonmaakster bij twee werkgevers en vroeg een WW-uitkering aan na het einde van haar arbeidsovereenkomst bij de tweede werkgever. Het UWV weigerde de uitkering omdat zij niet ten minste vijf uur per week werkloos was geworden, gebaseerd op een berekening van het gemiddeld aantal arbeidsuren in de referentieperiode.
De Raad beoordeelde het geschil aan de hand van de Werkloosheidswet en de Regeling gelijkstelling niet-gewerkte uren met gewerkte uren. Het geschil spitste zich toe op het aantal uren dat appellante gemiddeld per week werkte bij haar eerste werkgever in de referentieperiode. Appellante stelde dat het UWV ten onrechte geen rekening had gehouden met ziekte-uren, wat haar gemiddeld aantal arbeidsuren zou verhogen.
De Raad volgde appellante niet en oordeelde dat het UWV terecht de ziekte- en verlofuren had gelijkgesteld aan gewerkte uren volgens de ministeriële regeling. Hierdoor bedroeg het gemiddeld aantal arbeidsuren per week 31,94, terwijl appellante na het einde van haar arbeidsovereenkomst nog 27,5 uur werkte, wat onvoldoende verlies opleverde voor recht op WW.
De aangevallen uitspraak van de rechtbank Alkmaar werd bevestigd en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens onvoldoende arbeidsurenverlies.