ECLI:NL:CRVB:2007:BB1471
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering Ziektewetuitkering wegens overschrijding maximale uitkeringstermijn
Appellante was van 1 augustus 1992 tot 16 mei 2002 in dienst als administratief medewerkster en werd op 16 mei 2002 ontslagen. Zij meldde zich ziek met ingang van 21 februari 2002. Het Uwv kende haar een Ziektewetuitkering toe vanaf 16 mei 2002, maar vorderde later terugbetaling van te veel ontvangen uitkering over de periode van mei 2002 tot en met september 2002 en van februari 2003 tot en met april 2003.
De kern van het geschil betrof de vraag welke dag als eerste dag van ongeschiktheid tot werken moet worden aangemerkt. De rechtbank en de Raad oordeelden dat 21 februari 2002 de eerste ziektedag is, ondanks dat de uitkering pas vanaf 16 mei 2002 werd uitgekeerd vanwege het dienstverband.
Op grond van artikel 29, vijfde lid, van de Ziektewet eindigt het recht op ziekengeld na 52 weken ongeschiktheid, gerekend vanaf de eerste ziektedag. Dit betekent dat op 20 februari 2003 de maximale uitkeringstermijn was bereikt en de uitkering daarna ten onrechte werd doorbetaald.
De Raad bevestigt het bestreden besluit en verklaart het bezwaar ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de eerste dag van arbeidsongeschiktheid 21 februari 2002 is en dat de terugvordering van te veel betaalde Ziektewetuitkering terecht is.