ECLI:NL:CRVB:2007:BB1568

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-3661 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43a WAOArt. 9 sub e Schattingsbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende medische beperkingen

Appellant is sinds 2 januari 1998 arbeidsongeschikt door rugklachten en heeft per 1 januari 1999 een WAO-uitkering geweigerd gekregen. Na een verzoek tot herbeoordeling in 2001 voerde appellant aan dat zijn beperkingen, waaronder nek- en schouderklachten en medicijngebruik met bijwerkingen, ernstiger waren dan vastgesteld.

De bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige concludeerden echter dat appellant onvoldoende medisch bewijs leverde dat zijn beperkingen zodanig waren dat toekenning van een WAO-uitkering gerechtvaardigd was. De Raad oordeelde dat de klachten niet voortkomen uit dezelfde oorzaak als waarvoor de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld, zoals vereist volgens artikel 43a WAO.

Verder werd overwogen dat de beoordeling van de gemeente in het kader van de REA niet vergelijkbaar is met de WAO-beoordeling. De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank dat appellant niet in aanmerking komt voor een WAO-uitkering.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende medisch onderbouwde beperkingen.

Uitspraak

05/3661 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[A. te B.] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 21 april 2005, 03/2879 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 10 augustus 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. drs. G.L. de Gier, advocaat te ’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2007. Appellant is verschenen in persoon. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. B.H.C. de Bruijn.
II. OVERWEGINGEN
Appellant is op 2 januari 1998 uitgevallen met rugklachten. Bij het einde van de wachttijd, per 1 januari 1999, is hem een WAO-uitkering geweigerd. Op 23 augustus 2001 heeft hij een verzoek om herbeoordeling gedaan in verband met toegenomen klachten.
Bij besluit van 11 september 2003 (bestreden besluit) heeft het Uwv, beslissende op bezwaar, de weigering appellant een WAO-uitkering toe te kennen gehandhaafd.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen dat besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellants medische beperkingen tot het verrichten van arbeid niet zijn onderschat. Met de sinds de vorige beoordeling toegenomen nekklachten is rekening gehouden en van (toegenomen) schouderbeperkingen is niet gebleken. Met inachtneming van deze beperkingen moet appellant in staat worden geacht de geduide functies te verrichten.
In hoger beroep heeft appellant hiertegen aangevoerd dat hij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. De nekklachten zijn ernstiger en de schouderklachten komen voort uit dezelfde ziekte als waaruit de andere gewrichtsklachten voortkomen. Daarnaast is onvoldoende rekening gehouden met de pijnklachten en het daarmee samenhangende medicijngebruik; dit medicijngebruik geeft bijwerkingen in de vorm van slaap- en concentratiestoornissen. Ten slotte doet appellant een beroep op artikel 9 sub e van Pro het Schattingsbesluit: van een werkgever kan redelijkerwijs niet verwacht worden appellant een dienstbetrekking aan te bieden.
De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 23 augustus 2005 aangegeven dat appellants stelling dat hij meer beperkt is niet medisch is onderbouwd. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapportage van 21 september 2005 bestreden dat artikel 9 sub e van Pro het Schattingsbesluit aan de orde is; uit de gedingstukken blijkt niet dat appellant niet duurzaam te belasten zou zijn of binnen korte tijd niet meer te belasten zou zijn.
Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Ook in hoger beroep heeft appellant geen medische gegevens overgelegd die twijfel doen rijzen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid.
Met betrekking tot de door appellant gestelde pijnklachten en de slaap- en concentratiestoornissen overweegt de Raad het volgende. Op grond van artikel 43a, eerste lid, aanhef en onder b van de WAO kan toekenning van een uitkering in een geval als het onderhavige slechts plaats vinden als de arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan betrokkene destijds ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Bij de weigering van een WAO-uitkering per 1 januari 1999 zijn beperkingen aangenomen voor rugbelastende arbeid, niet voor pijnklachten en slaap- en concentratiestoornissen. Deze klachten en stoornissen kunnen derhalve reeds om deze reden niet leiden tot toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering.
In de geduide functies doen zich geen overschrijdingen voor van de vastgestelde belastbaarheid, zodat appellant in staat moet worden geacht die functies te verrichten. De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen redenen voor de conclusie dat van een werkgever niet verwacht kan worden appellant in dienst te nemen. Artikel 9 sub e van Pro het Schattingsbesluit staat derhalve niet in de weg aan de weigering van de
WAO-uitkering.
Appellants stelling dat hij door de gemeente in het kader van de REA-beoordeling wel arbeidsongeschikt wordt geacht leidt evenmin tot een andere conclusie aangezien deze beoordeling niet hetzelfde is en niet van dezelfde datum uitgaat als de WAO-beoordeling.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2007.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.
DK