ECLI:NL:CRVB:2007:BB1574

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-3718 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering en beoordeling urenbeperking bij obesitas

De zaak betreft het hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage die het besluit tot herziening van een WAO-uitkering vernietigde. Betrokkene, een vrouw met extreme obesitas en een depressief toestandsbeeld, stelde dat zij niet in staat was om 40 uur per week te werken en verzocht om een urenbeperking.

De rechtbank oordeelde dat de bezwaarverzekeringsarts de claim van betrokkene op een urenbeperking onvoldoende had onderzocht en dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was verricht. Het bestreden besluit werd daarom vernietigd. Het Uitvoeringsinstituut stelde in hoger beroep dat betrokkene geen claim voor een urenbeperking had gelegd en dat extreme obesitas geen reden was voor een urenbeperking.

De Centrale Raad van Beroep stelt vast dat de uitspraak van de rechtbank in rechte vaststaat en dat de conclusies van de deskundige Kazemier, waarop de rechtbank zich baseerde, voor appellant uitgangspunt moeten zijn. De Raad benadrukt dat de claim van betrokkene op een urenbeperking wel degelijk is ingediend en dat appellant verplicht was deze te onderzoeken en te beoordelen. Omdat dit niet is gebeurd, wordt het hoger beroep verworpen en het bestreden besluit bevestigd. Tevens veroordeelt de Raad appellant in de proceskosten van betrokkene.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het bestreden besluit bevestigd wegens onvoldoende onderzoek naar urenbeperking.

Uitspraak

05/3718 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 april 2005, 04/5003 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[A. te B.] (hierna: betrokkene),
en
appellant.
Datum uitspraak: 10 augustus 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. M.P. de Witte, advocaat te Den Haag, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2007.
Appellant was vertegenwoordigd door mr. M. de Graaff. Namens betrokkene is mr. De Witte verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 20 november 2002 heeft appellant gehandhaafd zijn besluit van 25 september 2002, waarbij de uitkering van betrokkene per 20 november 2002 is ingetrokken.
Bij uitspraak van 11 november 2003 (02/4498) heeft de rechtbank eerstgenoemd besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Daartoe heeft zij overwogen dat zij geen aanleiding ziet de conclusie van de door haar geraadpleegde deskundige M. Kazemier, psychiater, niet te volgen.
Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel aangewend.
Bij besluit van 7 mei 2004 heeft appellant vervolgens de arbeidsongeschiktheidsuitkering van betrokkene met ingang van 5 juli 2004 herzien en nader vastgesteld naar een percentage van 35 tot 45%.
Het door betrokkene tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 15 november 2004 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit moet nemen. De rechtbank heeft daartoe overwogen (waarbij betrokkene is aangeduid als eiseres en appellant als verweerder): “Eiseres heeft voorts reeds in de bezwaarfase verweerder verzocht een urenbeperking toe te passen gezien haar verminderde energetische belastbaarheid als gevolg van de obesitas en het depressieve toestandsbeeld. Gelet op het bepaalde in de Standaard “Verminderde Arbeidsduur” van verweerder onder 6.4. Uitgangspunt is een verzekeringsarts, wanneer betrokkene claimt niet voltijds te kunnen werken, gehouden een dergelijke claim te onderzoeken en te beoordelen. In het onderhavige geval heeft de bezwaarverzekeringsarts niet aangegeven waarom voor eiseres niet een urenbeperking is toegepast.
Gelet op het voorgaande is het medisch onderzoek onzorgvuldig verricht en dient het bestreden besluit vernietigd te worden wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.”
Appellant heeft zich daar niet mee kunnen verenigen en heeft daartegen aangevoerd dat van een claim ter zake van een urenbeperking van betrokkene geen sprake is; betrokkene is van oordeel in het geheel niet te kunnen werken. Appellant heeft daarbij verwezen naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts van 22 augustus 2003 en 13 juni 2005. In eerstgenoemde rapportage reageert de bezwaarverzekeringsarts op het rapport van Kazemier van 7 juli 2003. De bezwaarverzekeringsarts is het niet eens met het standpunt van Kazemier dat obesitas samengaat met een verhoogde graad van vermoeidheid. In de tweede rapportage geeft de bezwaarverzekeringsarts aan dat de raad (bedoeld zal zijn: rechtbank) ten onrechte stelt dat een urenbeperking niet nader beargumenteerd is afgewezen. De claim van betrokkene gaat uit van volledige arbeidsongeschiktheid. Een claim van urenbeperking heeft de bezwaarverzekeringsarts niet kunnen traceren. Voorts geeft hij aan dat extreme obesitas geen argument vormt voor het stellen van een urenbeperking.
Betrokkene heeft aangegeven dat zij in het kader van het bezwaar uitdrukkelijk naar voren heeft gebracht dat niet valt in te zien dat iemand met energetische beperkingen wel – zonder nadere motivering – geacht wordt 40 uur per week te kunnen werken. Betrokkene heeft voorts aangegeven dat de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte probeert het rapport van Kazemier te bestrijden aangezien de rechtbank de conclusies van Kazemier heeft overgenomen en tegen de uitspraak van de rechtbank geen hoger beroep is ingesteld. Appellant is dan ook gehouden het recht van betrokkene op een arbeidsongeschiktheidsuitkering te beoordelen op basis van de conclusies van Kazemier.
De Raad stelt allereerst vast dat de uitspraak van de rechtbank van 11 november 2003 in rechte vast staat. Nu de rechtbank geen aanleiding heeft gezien de conclusie van Kazemier niet te volgen dient deze conclusie voor appellant uitgangspunt te zijn bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene. Daarbij tekent de Raad evenwel aan dat de conclusie van Kazemier ziet op de datum 20 november 2002, terwijl de thans in geding zijnde datum 5 juli 2004 is. De hiervoor genoemde rapportages van de bezwaarverzekeringsarts alsmede zijn rapportage van 19 januari 2004 zien echter niet (expliciet) op laatstgenoemde datum, de rapportage van 10 november 2004 ziet op de datum 4 mei 2004. Voor de Raad is aldus niet duidelijk geworden dat de gezondheidssituatie van betrokkene op 5 juli 2004 op voldoende zorgvuldige wijze is beoordeeld.
Met betrekking tot de stelling van appellant dat betrokkene geen claim heeft gelegd voor een urenbeperking overweegt de Raad dat betrokkene in haar aanvullende bezwaarschrift expliciet heeft aangegeven dat niet valt in te zien “dat iemand met energetische beperkingen wel – zonder nadere motivering – geacht wordt 40 uur per week te kunnen werken en zelfs in onregelmatige diensten.”
Gelet op de Standaard Verminderde Arbeidsduur van appellant was appellant dan ook gehouden deze claim te onderzoeken en te beoordelen. De Raad constateert dat dit niet is gebeurd. De enkele opmerking van de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 19 januari 2004 dat in de Functionele Mogelijkheden Lijst rekening is gehouden met de verminderde energetische belastbaarheid is daartoe onvoldoende – nog afgezien van het feit dat de bezwaarverzekeringsarts uitgaat van de datum 20 november 2002. Voorts stelt de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 13 juni 2005 ten onrechte dat betrokkene geen urenbeperking heeft geclaimd; de enkele stelling dat de extreme obesitas geen reden is voor het stellen van een urenbeperking is eveneens onvoldoende. Kazemier geeft immers aan dat rekening gehouden moet worden met verminderde energie ten gevolge van de depressieve kant van betrokkenes toestandsbeeld. Of dát tot een urenbeperking zou moeten leiden is niet beoordeeld.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,= voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,=, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 428,= wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2007.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.
DK