ECLI:NL:CRVB:2007:BB1581

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-3758 Wajong
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking Wajong-uitkering wegens minder dan 25% arbeidsongeschiktheid

Appellant is in hoger beroep gekomen tegen het besluit van het UWV om zijn Wajong-uitkering, die eerder was toegekend op basis van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid, met ingang van 26 april 2004 in te trekken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 25%.

De Centrale Raad van Beroep verwijst naar de eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam en onderschrijft de medische en arbeidskundige onderbouwing waarop het bestreden besluit is gebaseerd. Appellant bracht geen nieuwe objectieve medische gegevens aan die twijfel zouden kunnen doen ontstaan over de vastgestelde functionele mogelijkheden.

Hoewel appellant nog medicatie en psychotherapie ontvangt, betekent dit volgens de Raad niet dat er geen duurzaam benutbare mogelijkheden zijn. Het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke medisch deskundige wordt afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing.

De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de aangevallen uitspraak. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de Wajong-uitkering wegens minder dan 25% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

05/3758 Wajong
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[A. te B. ] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 april 2005, 04/3492 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 10 augustus 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C.A. Willemsen-de Vries, advocaat te Alphen aan den Rijn, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Willemsen voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.
II. OVERWEGINGEN
Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreidere weergave van de feiten en omstandigheden die in dit geding van belang zijn, volstaat de Raad met het volgende.
Evenals in beroep ligt thans in hoger beroep ter beantwoording de vraag voor of het Uwv bij besluit van 21 oktober 2004 (hierna: bestreden besluit), waarbij hij heeft gehandhaafd zijn besluit van 3 maart 2004, terecht en op goede gronden de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), die voordien werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 26 april 2004 heeft ingetrokken op de grond dat appellant ten tijde van belang minder dan 25% arbeidsongeschikt is.
De Raad beantwoordt die vraag net als de rechtbank bij de aangevallen uitspraak bevestigend.
De door de rechtbank gehanteerde overwegingen ter zake van de medische onderbouwing van het bestreden besluit onderschrijft de Raad en maakt hij tot de zijne. Verder onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit ook wat betreft de arbeidskundige component de aan te leggen rechterlijke toetsing kan doorstaan.
In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat zijn medische toestand ten onrechte als stabiel is beschouwd, aangezien hij nog steeds medicatie en psychotherapie krijgt. Daarbij is gewezen op de verklaringen van de psychiater F.R. van der Velden van 20 september 2004 en 11 maart 2005.
Voorts is gesteld dat de rechtbank ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom niet is voldaan aan het verzoek van appellant om een onafhankelijke deskundige te benoemen.
Dienaangaande overweegt de Raad dat appellant in hoger beroep geen nieuwe objectieve medische gegevens heeft ingebracht die bij de Raad twijfel doen rijzen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde functionele mogelijkheden van appellant op de datum in geding.
Uit de gedingstukken valt af te leiden dat de bezwaarverzekeringsarts de informatie van de behandelende psychiater in zijn beoordeling heeft meegewogen en wel zodanig dat de in de Functionele Mogelijkheden Lijst opgenomen beperkingen van appellant zijn aangescherpt. Het feit dat appellant nog medicatie en psychotherapie krijgt, betekent niet dat geen sprake is van duurzaam benutbare mogelijkheden.
Nu appellant er bij gebrek aan onderbouwing van zijn stellingen niet in is geslaagd twijfel te doen ontstaan aan de in acht genomen medische beperkingen, ziet de Raad geen aanleiding het verzoek van appellant om een expertise te laten verrichten door een onafhankelijke medisch deskundige in te willigen.
Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt derhalve bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht een proceskostenveroordeling uit te spreken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2007.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.
DK