ECLI:NL:CRVB:2007:BB1615
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging maatregel WW-korting wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten
Appellant was werkzaam als service monteur op basis van tijdelijke arbeidsovereenkomsten, waarvan de laatste liep van 21 januari 2004 tot 21 januari 2005. Hij werd op 21 december 2004 geïnformeerd dat zijn contract niet zou worden verlengd. Het UWV kende hem een WW-uitkering toe met een korting van 20% gedurende 16 weken wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten voorafgaand aan het werkloos worden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat hij al het mogelijke had moeten doen om werkloosheid te voorkomen, waaronder solliciteren vanaf het moment dat duidelijk was dat zijn contract niet werd verlengd. Appellant voerde aan dat hij na overleg met zijn werkgever waarschijnlijk na drie maanden weer in dienst zou kunnen treden en dat de maatregel niet in verhouding stond tot het verwijt.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant vanaf het moment van de ontslagmededeling sollicitatieactiviteiten had moeten verrichten, ook gericht op opvularbeid, ongeacht de mogelijkheid tot hervatting bij zijn oude werkgever. Persoonlijke omstandigheden en de latere hervatting op 1 mei 2005 doen hieraan niet af. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de korting van 20% op de WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten.