ECLI:NL:CRVB:2007:BB1616
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens eigen toedoen bij niet hervatten passende arbeid
Appellant was sinds 1992 werkzaam als productiemedewerker en heeft zich in 2003 ziek gemeld. Na ziekte bood de werkgever aangepast werk aan als machinebediende, waarvoor appellant medisch geschikt werd verklaard. Ondanks deze geschiktheid hervatte appellant het werk niet en vroeg hij een deskundigenoordeel, dat de bedrijfsarts bevestigde. De arbeidsovereenkomst werd ontbonden en appellant vroeg een WW-uitkering aan.
Het UWV weigerde de uitkering omdat appellant door eigen toedoen geen passende arbeid had behouden. De rechtbank stelde dit oordeel vast en wees het beroep van appellant af. Appellant voerde aan dat een brief van een orthopeed uit juli 2004 in de procedure onvoldoende was meegewogen.
De Raad overwoog dat de medische beoordelingen zorgvuldig waren en dat de brief van de orthopeed geen aanleiding gaf tot een ander oordeel. Er was geen bewijs dat het werk medisch ongeschikt was of schadelijk voor appellant. Omdat appellant het werk niet hervatte zonder geldige reden, was sprake van verwijtbare werkloosheid en was de uitkering terecht geweigerd. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt blijvend geheel geweigerd omdat appellant door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden.