ECLI:NL:CRVB:2007:BB1633

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-4954 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek ontheffing maandelijkse inlichtingenformulier WWB

Appellant, die algemene bijstand ontvangt op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), verzocht het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Westland om ontheffing van de verplichting om maandelijks een inlichtingenformulier in te leveren. Dit verzoek werd door het College afgewezen, waarna appellant bezwaar maakte. Het bezwaar werd eveneens ongegrond verklaard.

De rechtbank ’s-Gravenhage verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit van het College ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. Tijdens de zitting verschenen partijen niet. De Raad verwijst naar de eerdere uitspraak voor een overzicht van de feiten en omstandigheden en beperkt zich tot de kern.

De Raad is van oordeel dat het College op goede gronden het verzoek van appellant heeft geweigerd. De argumenten van appellant in hoger beroep zijn door het College adequaat weerlegd, mede met verwijzing naar een eerdere uitspraak van de Raad. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verplichting tot het maandelijks inleveren van het inlichtingenformulier blijft gehandhaafd.

Uitspraak

06/4954 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant]
tegen de uitspraak van de rechtbank ’ s-Gravenhage van 19 juli 2006, 05/5536 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Westland (hierna: College)
Datum uitspraak: 7 augustus 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 17 juli 2007, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Appellant ontvangt algemene bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de gehuwdennorm in aanvulling op zijn ouderdomsuitkering. Op de echtgenote van appellant zijn de aan de bijstand verbonden verplichtingen bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB van toepassing. Op beiden rust de verplichting om maandelijks een inlichtingenformulier in te leveren.
Bij besluit op bezwaar van 5 juli 2005 heeft het College - overeenkomstig het advies van de bezwaarschriftencommissie - het besluit van 31 maart 2005 gehandhaafd waarbij het verzoek van appellant om ontheffing van de hiervoor genoemde verplichting maandelijks een inlichtingenformulier in te leveren is afgewezen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 5 juli 2005 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College op goede gronden geweigerd heeft appellant ontheffing te verlenen voor het maandelijks inleveren van een inlichtingenformulier. De Raad kan zich verenigen met hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen. De Raad is voorts van oordeel dat hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd door het College op toereikende wijze is weerlegd met hetgeen is gesteld in het verweerschrift en de daarin opgenomen verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 7 juni 2005, LJN AT8037.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2007.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.E. Broekman.