ECLI:NL:CRVB:2007:BB1720
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- H.G. Rottier
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit voortzetting WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering CBBS
Appellante, laatstelijk werkzaam als kledingsorteerster, ontvangt sinds 1994 een WAO-uitkering met wisselende mate van arbeidsongeschiktheid. In 2004 werd haar uitkering herzien naar 25-35% arbeidsongeschiktheid, waarop zij bezwaar maakte. De bezwaarverzekeringsarts bevestigde het medische oordeel, waarna het UWV het bezwaar ongegrond verklaarde. Tijdens de beroepsprocedure herzag het UWV het besluit op arbeidskundige gronden en stelde de arbeidsongeschiktheid op 35-45%.
De rechtbank verklaarde het beroep voor een deel niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond, waarbij zij de medische en arbeidskundige gronden onderschreef. Appellante stelde in hoger beroep dat haar psychische klachten onvoldoende waren meegewogen. De Raad concludeerde dat de medische beoordeling, inclusief de beperkingen door depressieve klachten, adequaat was en dat een psychiatrisch onderzoek niet nodig was.
De bezwaararbeidsdeskundige motiveerde nader waarom de geselecteerde functies passend waren binnen de beperkingen van appellante. De Raad oordeelde dat hiermee de ontbrekende onderbouwing van het bestreden besluit was aangevuld. Echter, omdat het besluit voor 1 juli 2005 was genomen en het CBBS niet voldeed aan de vereisten van de Awb, werd het besluit vernietigd. De rechtsgevolgen van het besluit blijven echter in stand. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot voortzetting van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.