ECLI:NL:CRVB:2007:BB1825
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Weigering Ziektewetuitkering wegens ontbreken werknemerstatus per 3 februari 2004
Appellant ontving sinds maart 2003 een WAO-uitkering, die in januari 2004 werd herzien naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid. Vanaf 3 februari 2004 meldde appellant zich ziek en vroeg een WW-uitkering aan, welke werd afgewezen omdat hij niet beschikbaar was voor arbeid. Vervolgens werd een Ziektewetuitkering geweigerd omdat appellant geen werknemer was volgens de Ziektewet.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze weigering ongegrond, wat door de Centrale Raad van Beroep werd bevestigd. De Raad oordeelde dat appellant op de datum van ziekmelding weliswaar verzekerd was op grond van artikel 8a ZW (WAO-uitkering), maar geen recht had op ziekengeld op grond van artikel 21 ZW Pro.
Appellant klaagde over de trage en onzorgvuldige behandeling van zijn ziekmelding door het UWV, maar dit kon niet leiden tot toekenning van ziekengeld in strijd met dwingendrechtelijke bepalingen. De Raad zag geen grond voor proceskostenveroordeling en bevestigde het bestreden besluit.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewetuitkering omdat appellant geen werknemer was in de zin van de Ziektewet per 3 februari 2004.