ECLI:NL:CRVB:2007:BB1909

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-6190 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
  • M.S.E. Wulffraat-van Dijk
  • E. Dijt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens geschiktheid geselecteerde functies

Appellant viel uit wegens nekklachten en vroeg een WAO-uitkering aan. Na een eerste afwijzing en vernietiging van het besluit door de rechtbank wegens ontoereikende arbeidskundige onderbouwing, werd een nieuw besluit genomen waarbij de bezwaren opnieuw ongegrond werden verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.

In hoger beroep voert appellant aan dat hij de geselecteerde functies niet kan vervullen vanwege onvoldoende opleidingsniveau en slechte beheersing van het Nederlands. De Raad stelt vast dat appellant voldoende opleidingsniveau heeft (niveau 2) en dat de geselecteerde functies (elektronicamonteur, inpakker, productiemedewerker textiel) passend zijn. Ook acht de Raad het niet aannemelijk dat appellant het Nederlands onvoldoende beheerst, gezien zijn werkervaring sinds 1995.

De Raad oordeelt dat het hoger beroep niet slaagt en dat er geen grond is voor vergoeding van proceskosten of schadevergoeding. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering omdat appellant geschikt is voor de geselecteerde functies.

Uitspraak

06/6190 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 19 september 2006, 06/105 WAO (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 15 augustus 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.H.M. Pepers, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2007. Appellant is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.
II. OVERWEGINGEN
Appellant was werkzaam als medewerker textielverzorging bij de Stichting [naam Stichting] te [vestigingsplaats] toen hij op 17 februari 2003 uitviel met nekklachten. Na verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige beoordeling is hem bij besluit van 10 maart 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd omdat hij met op zijn belastbaarheid afgestemde functies een zodanig inkomen kon verwerven dat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 17 november 2004 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 13 mei 2005 de medische onderbouwing van het besluit van 17 november 2004 onderschreven. De rechtbank heeft dit besluit vernietigd omdat het berustte op een ontoereikende arbeidskundige onderbouwing. Appellant en het Uwv hebben in deze uitspraak berust. Na nieuw arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 8 december 2005 (bestreden besluit) de bezwaren van appellant wederom ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende functies niet kan vervullen omdat hij niet voldoet aan het vereiste opleidingsniveau. Bovendien beheerst hij het Nederlands slecht. Voorts vordert appellant vergoeding van proceskosten en schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen uitkering.
De Raad stelt vast dat het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit.
De Raad is van oordeel dat de voor appellant geselecteerde functies elektronicamonteur, inpakker en productiemedewerker textiel, qua belasting en vereist opleidingsniveau voor hem geschikt kunnen worden geacht. Appellant heeft blijkens het arbeidskundig rapport van 12 februari 2004 in Marokko de basisschool afgerond en nog drie jaren vervolgonderwijs gevolgd. Gelet daarop is zijn opleidingsniveau terecht op 2 gesteld. Naar blijkt uit de arbeidsmogelijkhedenlijst en het rapport van bezwaararbeidsdeskundige P.H.M. Dijks-Leentjens van 7 december 2005 is het voor de functies elektronicamonteur, inpakker en productiemedewerker vereiste opleidingsniveau 2. Appellant heeft dan ook een voldoende opleidingsniveau om deze eenvoudige functies te kunnen vervullen. Dat appellant het Nederlands onvoldoende beheerst om werkopdrachten te kunnen lezen acht de Raad niet aannemelijk, nu appellant reeds vanaf 1995 in Nederland werkzaam is geweest.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen. Voor vergoeding van schade als door appellant verzocht is ingevolge artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het onderhavige geval dan ook geen plaats.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R. van der Vos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2007.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) M.R. van der Vos.
JL