ECLI:NL:CRVB:2007:BB1929
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens juistheid medisch oordeel en werkvermogen
Appellant ging in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam die het beroep tegen het besluit van het UWV tot intrekking van zijn WAO-uitkering ongegrond verklaarde. Hij stelde dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn psychische klachten en dat het UWV onjuiste aannames deed over zijn werk als supervisor maintenance.
De Raad oordeelde dat de rechtbank de grieven van appellant voldoende had besproken en dat het medisch oordeel dat ten grondslag ligt aan het besluit correct is. Appellant had een onjuiste voorstelling van zijn werkzaamheden gegeven, wat voor zijn risico bleef. De Functionele Mogelijkheden Lijst bood ruimte voor het extra klim- en klauterwerk dat appellant noemde.
De Raad concludeerde dat appellant niet overtuigend had aangetoond dat zijn werkzaamheden zwaarder waren dan door het UWV aangenomen. Ook verklaringen van oud-collega’s en informatie van de bezwaararbeidsdeskundige boden geen aanleiding tot herziening. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat het medisch oordeel en de werkbeschrijving juist zijn vastgesteld.