ECLI:NL:CRVB:2007:BB2034

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-4048 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering door Centrale Raad van Beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht die het besluit van het UWV bevestigde om een WAO-uitkering te weigeren. Het hoger beroep werd behandeld door de Centrale Raad van Beroep, waarbij appellant niet aanwezig was. De Raad oordeelde dat appellant in hoger beroep geen nieuwe gronden had aangevoerd, maar slechts zijn eerdere bezwaren herhaalde.

De rechtbank had de grieven van appellant reeds uitvoerig besproken en gemotiveerd afgewezen. De Raad vond geen reden om hiervan af te wijken en bevestigde daarom de aangevallen uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

De beslissing werd genomen door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 17 augustus 2007. De Raad benadrukte dat zonder nieuwe argumenten het hoger beroep geen doel treft en dat het besluit van het UWV rechtmatig is gehandhaafd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WAO-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

05/4048 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 20 mei 2005, 04/1796 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 17 augustus 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E.G.W. Hendriks, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. P.H.H.J. Krijnen.
II. OVERWEGINGEN
De rechtbank is op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat het beroep van appellant tegen het besluit van het Uwv van 10 september 2004, waarbij is gehandhaafd het besluit van 26 maart 2004 appellant een WAO-uitkering te weigeren, ongegrond is.
De gemachtigde van appellant heeft in het hoger beroepschrift – volledig aangehaald - het volgende naar voren gebracht:
“Appellant kan zich niet verenigen met de inhoud van de uitspraak zoals gewezen door de rechtbank te Maastricht, en wenst appellant te verwijzen naar de gronden als aangevoerd bij schrijven d.d. 8 juli 2004, houdende de nadere gronden van bezwaar, welke hierbij in het geding zijn gebracht als productie 4 bij beroepschrift, zoals dit is ingediend bij de rechtbank te Maastricht. Betreffende gronden wenst appellant hier als woordelijk herhaald en ingelast te beschouwen.”
De gemachtigde van appellant heeft dit standpunt niet toegelicht.
Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt mitsdien louter een herhaling van hetgeen hij reeds in beroep heeft aangevoerd.
Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de grieven van appellant afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die grieven niet kunnen slagen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door appellant ingediende gronden niet tot het oordeel leiden dat het besluit van 10 september 2004 onrechtmatig is.
Nu door appellant in hoger beroep slechts is gewezen op de reeds in bezwaar ingediende gronden die in beroep niet nader zijn aangevuld of toegelicht, in hoger beroep geen enkel nieuw gezichtspunt naar voren is gebracht en appellant zijn in beroep verworpen stellingen bij de Raad op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd, dan wel heeft aangegeven waarom het door de rechtbank gegeven oordeel over zijn gronden onjuist is, heeft de Raad aan de aangevallen uitspraak niets toe te voegen.
Het hoger beroep treft mitsdien geen doel en de aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2007.
(Get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) M. Gunter.