ECLI:NL:CRVB:2007:BB2055
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing hoger beroep tegen gedeeltelijke toekenning WAO-uitkering na herbeoordeling
Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Breda waarin het UWV werd opgedragen een nieuw besluit te nemen over de weigering van een WAO-uitkering. De rechtbank had het eerdere besluit van het UWV vernietigd vanwege gebreken in de arbeidskundige beoordeling.
Het UWV nam vervolgens een nieuw besluit waarbij appellant per 8 november 2004 een gedeeltelijke WAO-uitkering werd toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%. Appellant betwistte in hoger beroep met name de medische grondslag van dit besluit, stellende dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn psychische gesteldheid en de ernst van zijn knieaandoening.
De Raad oordeelde dat het UWV voldoende onderzoek had gedaan naar de psychische en medische situatie van appellant, onder meer op basis van rapporten van verzekeringsartsen en medische informatie van de huisarts en psychiater. De beperkingen van appellant werden adequaat vastgesteld en de functies die hem werden voorgehouden waren medisch gezien passend.
De Raad zag geen aanleiding voor een aanvullend medisch onderzoek en verklaarde het hoger beroep tegen de eerdere uitspraak niet-ontvankelijk, terwijl het beroep tegen het besluit van 1 mei 2007 ongegrond werd verklaard. Er werden geen proceskosten aan partijen opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de eerdere uitspraak is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het nieuwe UWV-besluit is ongegrond verklaard.