ECLI:NL:CRVB:2007:BB2186

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6026 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.C.M. van Laar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 7:12 AwbArt. 7:15 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering ziekengeld wegens onduidelijke maatstaf arbeid

Appellant ontving een WAO-uitkering wegens longklachten en meldde zich ziek tijdens een WW-uitkering vanwege verergerde klachten. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsarts vast dat appellant per 21 februari 2005 hersteld was en beëindigde het ziekengeld. Appellant werkte na zijn WAO-beoordeling als schoonmaker, maar werd ontslagen wegens een arbeidsconflict.

De Raad overwoog dat de juiste maatstaf voor 'zijn arbeid' de laatstelijk feitelijk verrichte werkzaamheden zijn, tenzij de betrokkene na WAO-beoordeling niet werkte en alleen WAO-functies had. In dit geval was onduidelijk welke maatstaf het UWV had gehanteerd, mede doordat geen werkomschrijving van de schoonmakerfunctie aanwezig was.

Daarom oordeelde de Raad dat het besluit niet deugdelijk was gemotiveerd en vernietigde het. Het UWV moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De medische beoordeling werd niet inhoudelijk behandeld. Verzoek om vergoeding van behandelingskosten werd afgewezen vanwege te late indiening. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en het UWV moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

05/6026 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 2 september 2005, 05/1655 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 22 augustus 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.A. van Ham, advocaat te Veenendaal, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2007. Namens appellant is verschenen mr. Van Ham voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Smid.
II. OVERWEGINGEN
Appellant ontvangt sedert 7 oktober 2003 wegens longklachten een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
Appellant heeft zich op 10 januari 2005, toen hij een werkloosheidsuitkering ontving, wegens toegenomen longklachten en psychische klachten ziek gemeld. Naar aanleiding hiervan is appellant gezien door verzekeringsarts R. Sardar, die op het spreekuur van 7 februari 2005 vaststelde dat de beperkingen niet zijn toegenomen in vergelijking met de Functionele Mogelijkheden Lijst van 1 augustus 2002, en appellant per 21 februari 2005 hersteld achtte.
Bij besluit van 22 februari 2005 is aan appellant meegedeeld dat hij dienovereenkomstig met ingang van 21 februari 2005 geen recht meer had op ziekengeld.
Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. De bezwaarverzekeringsarts
R. Rombout onderschrijft in zijn rapport van 20 april 2005, na dossierstudie en het bijwonen van de hoorzitting, de conclusie van de verzekeringsarts Sardar.
In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv bij besluit van 27 april 2005 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant is in hoger beroep -kort gezegd- aangevoerd dat hij op medische gronden arbeidsongeschikt was en is in de zin van artikel 19 van Pro de Ziektewet (ZW). Appellant heeft ernstige longklachten en lijdt daarnaast aan ernstige psychische klachten waarvoor hij door psychiater L. Teerink wordt behandeld. Appellant is verder van oordeel dat onder ‘zijn arbeid’ dient te worden verstaan het eigen werk op de vul/inpakafdeling bij [naam bedrijf].
De Raad overweegt als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie moet onder “zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van Pro de ZW worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. In de jurisprudentie van de Raad is bepaald dat, in geval de betrokkene in het kader van de WAO-beoordeling geschikt is geacht voor passende functies en hij niet in enige arbeid heeft hervat maar een WW-uitkering ontvangt, de WAO-functies als zijn arbeid worden aangemerkt, en wel elk van die functies afzonderlijk.
Voorts heeft de Raad in zijn uitspraak van 19 januari 2005, LJN: AS5738, onder meer overwogen dat voormelde maatstaf niet zonder meer kan worden aangehouden in geval de betrokkene na de WAO-beoordeling in enig werk heeft hervat en hij die arbeid voorafgaande aan de uitval daadwerkelijk verrichtte.
Bovendien geldt dat bij ziekmelding vanuit de WW in beginsel de laatstelijk voor het ontslag verrichte werkzaamheden als maatstaf arbeid dienen te worden aangehouden.
Naar uit de stukken blijkt en ter zitting van de Raad door de gemachtigden van het Uwv en van appellant is bevestigd, heeft appellant hervat bij de eigen werkgever in de (passende) functie van schoonmaker met een schrobmachine. De gemachtigde van appellant heeft ter zitting de grief dat onder ‘zijn arbeid’ primair dient te worden verstaan het werk op de vul/inpakafdeling bij [naam bedrijf] ingetrokken.
De Raad stelt vast dat appellant per 1 januari 2004, na de WAO-beoordeling, heeft hervat bij de eigen werkgever in de functie van schoonmaker met een schrobmachine, deze werkzaamheden geruime tijd heeft verricht totdat hij (wegens een arbeidsconflict) op 1 september 2004 daaruit is ontslagen. De Raad is van oordeel dat in een dergelijke situatie de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte werkzaamheden als maatstaf arbeid dienen te worden aangehouden. De gemachtigde van het Uwv heeft ter zitting gesteld dat de bezwaarverzekeringsarts bij de toets of appellant op 21 februari 2005 in staat was zijn arbeid te verrichten als maatstaf arbeid de functie van schoonmaker met een schrobmachine heeft genomen en subsidiair de WAO-functies. Naar het oordeel van de Raad blijkt echter noch uit het rapport van de verzekeringsarts Sardar noch uit de heroverweging in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts Rombout aan welke maatstaf arbeid is getoetst. Daarbij merkt de Raad nog op dat er geen werkomschrijving van de laatst verrichte arbeid aanwezig is.
Het vorenstaande heeft de Raad tot de conclusie gebracht dat het bestreden besluit niet wordt gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering en dat dit besluit wegens strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden vernietigd. De aangevallen uitspraak kan dan ook niet in stand blijven. Het Uwv zal opnieuw op het bezwaar van appellant moeten beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
Gelet hierop komt de Raad aan de beoordeling van de medische grondslag van het bestreden besluit niet meer toe.
Voorts is de Raad van oordeel dat het thans niet op zijn weg ligt zich over mogelijke schade uit te spreken, nu nog niet vaststaat hoe het nieuwe besluit op bezwaar zal gaan luiden. Het Uwv dient bij het nemen van een nieuw besluit tevens aandacht te besteden aan de vraag in hoeverre er aanleiding is om schade te vergoeden.
Nu het verzoek om vergoeding van de kosten van de behandeling van het bezwaar niet is gedaan voordat het Uwv op het bezwaar heeft beslist, zal de Raad dit verzoek gelet op artikel 7:15, derde lid, van de Awb afwijzen.
De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 7:15 van Pro de Awb af;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, waarvan € 644,- aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant betaalde griffierecht van in totaal € 140,- aan appellant vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2007.
(get.) M.C.M. van Laar.
(get.) J. Verrips.