ECLI:NL:CRVB:2005:AS5738
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Niet ongeschikt tot het verrichten van haar arbeid bij ziekmelding na WAO-periode
Appellante was werkzaam als verzuimcontroleur toen zij in januari 2000 uitviel met fibromyalgie en vermoeidheidsklachten. Na een afwijzing van een WAO-uitkering werd haar alsnog een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25. Vervolgens trad zij in dienst als telefoniste voor 16 uur per week en meldde zich ziek per 8 maart 2001. Gedaagde weigerde haar een Ziektewet-uitkering op grond van artikel 29, vijfde lid, ZW, omdat zij eerder 52 weken arbeidsongeschikt was geweest.
De Raad oordeelt dat de maatstaf voor de arbeid de laatst verrichte arbeid als telefoniste plus de overige uren volgens de WAO-beoordeling betreft. De medische situatie per 8 maart 2001 verschilde niet wezenlijk van die per 8 januari 2001. Daarom was appellante niet ongeschikt tot haar arbeid en heeft zij geen recht op ziekengeld.
De Raad vernietigt het bestreden besluit tot weigering van ziekengeld, verklaart het beroep gegrond, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens veroordeelt de Raad gedaagde in de proceskosten van appellante. Het hoger beroep slaagt niet voor het deel dat ziet op het WAO-besluit.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van ziekengeld per 8 maart 2001 wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.