ECLI:NL:CRVB:2007:BB2191
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.F. Bandringa
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering met arbeidsongeschiktheid van 25-35%
Appellante, die sinds mei 1991 haar werkzaamheden als directeur staakte wegens vermoeidheidsklachten, ontving vanaf 1992 een WAO-uitkering op basis van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid. Na een vijfde jaarsherbeoordeling in 2002, inclusief medisch en arbeidskundig onderzoek, stelde het UWV haar arbeidsongeschiktheid bij naar 25 tot 35% met ingang van 8 juli 2003. Appellante betwistte dit besluit en voerde onder meer aan dat de rechtbank onvoldoende rekening hield met medische rapporten en dat een urenbeperking noodzakelijk is.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de beschikbare medische gegevens, waaronder rapporten van internisten en psychiaters, geen aanleiding geven om appellante volledig arbeidsongeschikt te achten of een urenbeperking aan te nemen. De Raad wijst erop dat de voorgestelde behandelingen niet relevant zijn voor de beoordeling van beperkingen en dat appellante in staat is tot het verrichten van arbeid binnen de vastgestelde beperkingen. Ook het feit dat zij een rijbewijs bezit en regelmatig rijdt, ondersteunt dit oordeel.
Gelet op deze overwegingen bevestigt de Raad de aangevallen uitspraak en verklaart het hoger beroep ongegrond. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd. Hiermee blijft de WAO-uitkering van appellante vastgesteld op een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% vanaf 8 juli 2003.
Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering naar 25-35% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd zonder urenbeperking.