AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling toeslagaanvraag bij stamrechtuitkering en toepassing gelijkheidsbeginsel
Appellant ontving bij zijn uitdiensttreding een eenmalige uitkering die werd omgezet in een stamrechtuitkering. Hij vroeg een toeslag aan krachtens de Toeslagenwet, maar het UWV wees dit af. De rechtbank vernietigde het besluit wegens een andere grondslag, maar handhaafde de rechtsgevolgen. De rechtbank oordeelde dat de stamrechtuitkering als inkomen in verband met arbeid geldt, waardoor appellant geen toeslag krijgt.
Appellant ging in hoger beroep tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen en voerde aan dat het niet uitmaakt of de ontslagvergoeding ineens of als stamrecht wordt uitbetaald. Tevens beriep hij zich op het gelijkheidsbeginsel omdat collega’s wel een toeslag ontvingen. De Raad verwees naar eerdere uitspraken waarin stamrechtuitkeringen als inkomen worden aangemerkt en verwierp het beroep op het gelijkheidsbeginsel vanwege onvoldoende onderbouwing.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling. Hiermee werd het bezwaar van appellant afgewezen en de afwijzing van de toeslag gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat stamrechtuitkeringen als inkomen uit arbeid gelden, waardoor appellant geen toeslag ontvangt.
Uitspraak
05/2520 TW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 17 maart 2005, 04/765 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 8 augustus 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H.C.S. van Deijk-Amzand, werkzaam bij FNV Bondgenoten, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De gronden van het beroep zijn nader aangevuld bij brief van 19 juni 2007.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.G.G. Schoonderbeek, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Toeslagenwet (Tw) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. Appellants voormalige werkgever [werkgever] heeft hem per datum uitdiensttreding 1 maart 1998 een eenmalige uitkering toegekend van fl. 178.871,-- bruto. Die uitkering is per die datum omgezet in een stamrechtuitkering ten behoeve van appellant, in de vorm van een lijfrente uitkering. Aan appellant is ingaande 15 december 1998 een loongerelateerde uitkering krachtens de Werkloosheidswet toegekend, per 14 april 2003 gevolgd door de vervolguitkering. Appellant heeft verzocht hem in aanmerking te brengen voor een toeslag krachtens de Tw. Bij besluit van 25 februari 2004 heeft het Uwv die aanvraag afgewezen, welke afwijzing bij het op bezwaar gegeven besluit van 30 juni 2004 (het bestreden besluit) is gehandhaafd.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd, omdat het Uwv in verweer dat besluit van een andere grondslag dan die waarop het aanvankelijk steunde, heeft voorzien. Zij heeft de rechtsgevolgen van dat besluit volledig in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat de lijfrente-uitkeringen, voortvloeiend uit het stamrecht, op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder g, van het Inkomensbesluit Toeslagenwet zijn aan te merken als ‘inkomen in verband met arbeid’, dat voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Tw als inkomen geldt. Met die lijfrente-uitkeringen heeft appellant ten tijde in geding een hoger inkomen dan het minimumloon, zodat hij geen recht heeft op een toeslag.
4. Het hoger beroep van appellant richt zich tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit. Appellant meent dat het geen verschil mag maken of de ontslagvergoeding als bedrag ineens wordt uitbetaald of in de vorm van een stamrecht. Appellant doet voorts een beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat, naar zijn zeggen, aan collega’s van hem wel een toeslag is toegekend.
5.1. Het oordeel van de rechtbank komt geheel overeen met het oordeel dat de Raad heeft gegeven over gelijkluidende bepalingen van het Inkomensbesluit IOAW in zijn - aan partijen bekende - uitspraak van 19 april 2005, LJN AT4952, RSV 2005/19, USZ 2005/228 en JSV 2005/74. Eenzelfde oordeel heeft de Raad gegeven over het Inkomensbesluit Toeslagenwet in zijn uitspraak van 31 augustus 2005, LJN AU3213. De Raad is in het geval van appellant een gelijk oordeel toegedaan en hij volstaat hier naar voornoemde uitspraken te verwijzen.
5.2. Aan het beroep op het gelijkheidbeginsel gaat de Raad, met het Uwv en de rechtbank, voorbij nu dit op geen enkele wijze is toegelicht en onderbouwd.
6.1. Op grond van het hiervoor overwogene is de Raad tot het oordeel gekomen dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6.2. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.W.N. de Waard als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2007.