ECLI:NL:CRVB:2007:BB2357

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-5188 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door niet naleven verzuimregels

Appellante was werkzaam bij een werkgever en kreeg toestemming voor vakantie van 12 juli 2004 voor drie weken. Op de dag dat zij haar werk zou hervatten, 2 augustus 2004, meldde zij zich telefonisch en per fax ziek vanuit Marokko, maar niet volgens het verzuimreglement. De bedrijfsarts verklaarde op 9 september 2004 dat appellante ondanks haar klachten had kunnen terugreizen. De werkgever verzocht daarop ontbinding van de arbeidsovereenkomst, welke op 1 november 2004 werd uitgesproken.

Appellante vroeg per 1 november 2004 een WW-uitkering aan, die het Uwv blijvend geheel weigerde wegens verwijtbare werkloosheid conform artikel 24 WW Pro. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante tegen deze weigering ongegrond, omdat zij zich niet aan de verzuimregels had gehouden en geen medische gegevens had overgelegd die haar onvermogen tot reizen ondersteunden.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en wijst erop dat appellante op het aanvraagformulier 'ziekmelding' als reden voor ontslag invulde en dat ook medische gegevens uit Marokko geen bewijs leverden van haar onvermogen tot reizen. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door niet naleven van verzuimregels.

Uitspraak

06/5188 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2006, 06/249 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 15 augustus 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.G. Wattilete, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2007. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Zaagsma, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2.1. Appellante was in dienstbetrekking werkzaam bij [werkgever] Zij had van de werkgever toestemming met ingang van 12 juli 2004 voor drie weken met vakantie te gaan. Op 2 augustus 2004, de dag dat zij haar werk zou hebben moeten hervatten, heeft zij zich vanuit Marokko telefonisch en per fax bij de werkgever ziek gemeld. Vaststaat dat de ziekmelding niet heeft plaatsgevonden zoals het verzuim-reglement voorschreef. Nadat de bedrijfsarts op 9 september 2004 had verklaard dat appellante ondanks haar klachten terug had kunnen reizen, heeft de werkgever met een verzoekschrift d.d. 14 september 2004 de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Dit verzoek is na overleg met de gemachtigde van appellante ingetrokken, waarna de kantonrechter in het kader van een zogenoemde geregelde ontbindings-procedure bij beschikking van 27 oktober 2004 de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever met ingang van 1 november 2004 heeft ontbonden.
2.2. Appellante heeft per 1 november 2004 een WW-uitkering aangevraagd, die het Uwv bij besluit van 25 november 2004 bij wijze van maatregel blijvend geheel heeft geweigerd. Het Uwv heeft bij het bestreden besluit van 5 december 2005 het bezwaar van appellante tegen voornoemd besluit ongegrond verklaard. Aan die maatregel ligt ten grondslag dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, van oordeel zijnde dat het Uwv op goede grond de WW-uitkering blijvend geheel heeft geweigerd, het beroep van appellante tegen het bestreden besluit uitvoerig gemotiveerd ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de stelling van appellante dat, nu de werkgever het ontslag op staande voet (bedoeld zal zijn: het eerste ontbindingsverzoek) heeft ingetrokken en de dienstbetrekking is geëindigd door ontbinding op ‘neutrale’ gronden, geen sprake is van verwijtbare werkloosheid, verworpen. De rechtbank overwoog dat appellante zich niet heeft gehouden aan de verzuimregels, dat zij daarmee bekend was, en dat appellante, die bij brief van 28 mei 2004 nog uitdrukkelijk op die regels is gewezen, redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de werkgever maatregelen zou treffen als die regels niet werden nageleefd. Tot slot overwoog de rechtbank dat tegenover de verklaring van de bedrijfsarts door appellante geen medische gegevens naar voren zijn gebracht ter onderbouwing van de stelling dat zij niet in staat was te reizen. Redenen voor het aannemen van verminderde verwijtbaarheid heeft de rechtbank niet aanwezig geacht.
4.1. De Raad staat voor de beantwoording van de vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel over het bestreden besluit. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend. Hij stelt zich achter het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die haar tot dat oordeel hebben geleid.
4.2. Naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep heeft gesteld overweegt de Raad nog dat appellante op het WW-aanvraagformulier niet de eventuele verstoorde arbeidsverhouding als reden van het ontslag heeft ingevuld maar: ‘ziekmelding’. Tot slot wil de Raad hier niet onvermeld laten dat ook uit de medische gegevens uit Marokko niet valt op te maken dat appellante niet in staat was te reizen.
5.1. Op grond van het hiervoor overwogene is de Raad tot het oordeel gekomen dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5.2. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en C.P.J. Goorden en L.J.A. Damen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2007.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) M.R.S. Bacon.
BvW