ECLI:NL:CRVB:2007:BB2399
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- L.J.A. Damen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging loongerelateerde WW-uitkering wegens schending rechtszekerheid en zorgvuldigheid
Appellant kreeg aanvankelijk een loongerelateerde WW-uitkering toegekend voor een periode van twee jaar en zes maanden. Het UWV stelde later vast dat de uitkering ten onrechte voor een langere periode was toegekend en besloot de duur te herzien tot twee jaar, met beëindiging per 1 mei 2005 en omzetting naar een lagere vervolguitkering op basis van het minimumdagloon.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het UWV tijdig had geïnformeerd en de termijn van één maand voldoende was om zich op de wijziging in te stellen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat deze korte gewenningsperiode en de aanzienlijke inkomensachteruitgang in strijd waren met het rechtszekerheidsbeginsel en dat het UWV niet zorgvuldig had gehandeld.
De Raad oordeelde dat het UWV verplicht was tot herziening, maar dat de korte gewenningsperiode van één maand zonder compensatie onvoldoende was en niet voldeed aan de vereiste zorgvuldigheid volgens artikel 3:2 Awb Pro. Het besluit werd daarom vernietigd en het UWV werd opgedragen opnieuw te beslissen, met aandacht voor de belangenafweging en het verzoek om proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot beëindiging van de loongerelateerde WW-uitkering wordt vernietigd wegens schending van het rechtszekerheidsbeginsel en onvoldoende zorgvuldigheid.