ECLI:NL:CRVB:2007:BB2400
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door contractswijziging
Appellant was vanaf januari 2001 in vaste dienst bij een werkgever die later een grootschalig onderzoek naar uitkeringsfraude onder zijn werknemers onderging. Uit dit onderzoek bleek dat vaste contracten waren omgezet in tijdelijke contracten om onterecht WW-uitkeringen te verkrijgen. Appellant had samen met de werkgever zijn arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd omgezet in tijdelijke contracten, wat leidde tot het intrekken van zijn WW-uitkering en toeslag vanaf november 2002.
De rechtbank oordeelde dat appellant verwijtbaar werkloos was geworden en dat de intrekking en terugvordering van de uitkering en toeslag terecht waren. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij onder druk was gezet, de taal niet goed beheerst en dat hij waarschijnlijk toch werkloos zou zijn geworden vanwege de slechte financiële situatie van de werkgever.
De Raad overwoog dat appellant zich niet kon onttrekken aan de gevolgen van de beëindigingsovereenkomst en dat het niet nakomen van verplichtingen hem in overwegende mate kan worden verweten. De omstandigheden aangevoerd door appellant vormden geen dringende redenen om af te zien van terugvordering. De Raad bevestigde daarom het besluit tot intrekking en terugvordering van de WW-uitkering en toeslag.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de WW-uitkering en toeslag bevestigd.