ECLI:NL:CRVB:2007:BB2423
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen intrekking en terugvordering WW-uitkering wegens vermeende uitkeringsfraude
Appellante ontving van oktober 1999 tot november 2002 een WW-uitkering terwijl zij in die periode werkzaamheden verrichtte bij haar werkgever, een visverwerkend bedrijf. Het UWV stelde na een grootschalig onderzoek dat er sprake was van uitkeringsfraude doordat werkbriefjes onjuist werden ingevuld om WW-rechten te behouden. Op grond hiervan trok het UWV de uitkering in en vorderde onverschuldigde betalingen terug.
De rechtbank Leeuwarden verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat zij haar inlichtingenplicht had geschonden door het ondertekenen van onjuiste werkbriefjes. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij de werkbriefjes blanco had ingeleverd en vertrouwde op de juiste invulling door haar werkgever, mede vanwege haar beperkte beheersing van de Nederlandse taal.
De Raad overwoog dat het UWV terecht had vastgesteld dat appellante haar inlichtingenplicht niet was nagekomen. Echter, het UWV had niet de omvang van de verzwegen werkzaamheden vastgesteld, terwijl dit noodzakelijk is om de rechtmatigheid van de intrekking en terugvordering te beoordelen. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en bepaalde dat het UWV opnieuw op het bezwaar moet beslissen met inachtneming van deze uitspraak.
Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van appellante en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan haar wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van de WW-uitkering wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar het UWV voor hernieuwde beslissing.