ECLI:NL:CRVB:2007:BB2425
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen intrekking WW-uitkering wegens vermeende uitkeringsfraude
Appellante ontving WW-uitkeringen over twee perioden, waarop het UWV een onderzoek instelde wegens vermoedelijke uitkeringsfraude binnen het bedrijf van haar werkgever. Het onderzoek concludeerde dat werkbriefjes onjuist waren ingevuld, mede door de werkgever, om WW-rechten te behouden. De rechtbank oordeelde dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat zij de werkbriefjes in de eerste periode naar waarheid had ingevuld en dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar de administratie van de werkgever. Zij erkende onzorgvuldigheid in de tweede periode. De Raad concludeerde dat het UWV terecht had vastgesteld dat appellante haar inlichtingenplicht schond, maar dat het UWV de omvang van de verzwegen werkzaamheden niet had vastgesteld, terwijl dit noodzakelijk is voor het intrekken van de uitkering.
Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat het UWV opnieuw op het bezwaar moet beslissen, met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten en werd het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WW-uitkering wordt vernietigd en het UWV moet opnieuw beslissen.