ECLI:NL:CRVB:2007:BB2573
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen intrekking en terugvordering WW-uitkering wegens vermeende uitkeringsfraude
Appellante ontving vanaf 1995 een WW-uitkering, die in de periode 1996-1999 werd genoten. Het UWV startte een onderzoek naar vermeende uitkeringsfraude bij het bedrijf van haar werkgever, waarbij werd vastgesteld dat werkbriefjes mogelijk onjuist waren ingevuld om WW-rechten te waarborgen. Op basis hiervan trok het UWV de uitkering in, vorderde onverschuldigde betalingen terug en legde een boete op.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden door haar handtekening te zetten onder onjuiste werkbriefjes. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij de werkbriefjes correct had ingevuld en dat er geen bewijs was voor onjuiste opgave.
De Raad oordeelde dat de verklaringen van appellante en haar werkgever consistent waren en dat er geen gegevens waren die aantoonbaar onjuistheid van deze verklaringen ondersteunden. De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en de eerdere uitspraak, herroept de besluiten tot intrekking, terugvordering en boete, en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellante. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de besluiten tot intrekking, terugvordering en boete worden herroepen en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.