ECLI:NL:CRVB:2007:BB3539

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-231 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WUV-uitkering wegens ontbreken verminderd functioneren door vervolging

Appellante, geboren in 1941, vroeg in maart 2004 een periodieke uitkering aan op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Verweerster erkende de burger-internering als vervolging maar wees de uitkering af omdat de psychische klachten niet leidden tot verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdsgenoten. Ook werd geen verband gelegd tussen de rug- en gewrichtsklachten en de vervolging.

Appellante voerde in beroep aan dat de rug- en gewrichtsklachten veroorzaakt zijn door ondervoeding tijdens de internering. De Raad liet zich adviseren door medische experts die bevestigden dat er weliswaar degeneratieve veranderingen zijn, maar geen medisch-wetenschappelijk bewijs bestaat voor een oorzakelijk verband met de ondervoeding.

De Raad oordeelde dat het bestreden besluit zorgvuldig en gemotiveerd is voorbereid en dat het ontbreken van wetenschappelijk bewijs de weigering rechtvaardigt. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WUV-uitkering blijft gehandhaafd.

Uitspraak

07/231 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante] (hierna: appellante)
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 30 augustus 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening
7 november 2006, kenmerk JZ/Y70/2006, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2007. Aldaar is appellante niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Appelante, geboren in 1941 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in maart 2004 bij verweerster een aanvraag ingediend voor een periodieke uitkering op grond van de Wet. Bij besluit van 22 februari 2005 heeft verweerster erkend dat appellante vervolging heeft ondergaan, te weten burger-internering, maar een periodieke uitkering is aan appellante niet toegekend op de grond dat de bij haar vastgestelde psychische klachten als gevolg van de ondergane vervolging niet hebben geleid tot een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdsgenoten. Voor de rugklachten, status na borstkanker en gewrichtsklachten heeft verweerster een verband met de ondergane vervolging niet aanvaard, maar geoordeeld dat deze klachten door andere oorzaken zijn ontstaan. Het door appellante tegen dit besluit ingediende bezwaar heeft verweerster bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.
2. In beroep heeft appellante zich uitsluitend gekeerd tegen verweersters opvatting dat de rug- en gewrichtsklachten geen verband houden met de ondergane vervolging. Appellante heeft in dat kader aangevoerd dat de klachten zijn veroorzaakt door de (uitzonderlijke) ondervoeding tijdens de internering, hetgeen naar haar mening bevestiging vindt in de aanwezige medische informatie.
3. Het tussen partijen bestaande geschil spitst zich dan ook toe op de vraag of verweerster op goede gronden heeft geoordeeld dat de bij appellante aanwezige rug- en gewricht-klachten niet in verband kunnen worden gebracht met de ondervoeding tijdens de vervolging.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Naar uit de stukken blijkt is het standpunt van verweerster in eerste instantie gebaseerd op het advies van haar geneeskundig adviseur P. Windels, arts, welk advies berust op een rapport van een (psychiatrisch) onderzoek door prof. W. Middleton en op ontvangen informatie van appellantes behandelaars B. Venczel (fysiotherapeut),
R.B.A. Connolly (chiropractor), dr. M. Byrne (orthopedisch chirurg) alsmede de huisarts van appellante dr. S. Jameson. In zijn medisch advies heeft de arts Windels aangegeven dat de rug- en gewrichtsklachten van appellante berusten op degeneratieve aandoeningen, welke niet in verband kunnen worden gebracht met de ondergane vervolging.
4.2. Na gemaakt bezwaar heeft verweerster zich laten adviseren door haar geneeskundig adviseur A.J. Maas, arts, die op basis van een op verzoek van verweerster bij appellante verricht medisch onderzoek door dr. P. Dupré (orthopedisch chirurg), en de nader verkregen informatie van prof. dr. Jean Lewalle (orthopedisch chirurg) de onder 4.1. vermelde conclusie heeft onderschreven. In dat verband heeft Maas aangegeven dat bij appellante wel een ongewoon vroege ontwikkeling van degeneratieve veranderingen aan de gewrichten (waaronder de rug) zijn vastgesteld, maar dat geen medisch-wetenschap-pelijk bewijs bestaat voor een verband tussen voedingsdeficiënties gedurende de vroege jeugd en de latere ontwikkeling van de gewrichtsklachten.
4.3. De Raad acht het bestreden besluit op grond van de onder 4.1. en 4.2. genoemde advisering deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. Op grond van de voorhanden zijnde medische gegevens acht de Raad geen grondslag aanwezig voor het oordeel dat verweerster ten onrechte geen verband heeft aanvaard tussen voedingsdeficiënties tijdens de internering en de orthopedische (rug- en gewrichts-) klachten van appellante. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de artsen Dupré en Lewalle weliswaar hebben uitgesproken een verband met de ondergane vervolging mogelijk te achten, maar ook de Raad kan niet anders dan vaststellen dat dit is gebaseerd op een vermoeden, nu enig medisch wetenschappelijk bewijs voor een dergelijk conclusie ontbreekt.
5. Gezien het voorgaande dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard.
6. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2007.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) J.P. Schieveen.
HD
6.08