ECLI:NL:CRVB:2007:BB3551

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-7307 MPW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. E11 Algemene militaire pensioenwetArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek militair invaliditeitspensioen na drie dienstongevallen

Appellant, voormalig reserve-soldaat, verzocht om een militair invaliditeitspensioen vanwege drie ongevallen tijdens zijn dienst in 1979. Na een militair geneeskundig onderzoek en medische rapportages besloot de staatssecretaris het verzoek af te wijzen, een besluit dat na bezwaar werd gehandhaafd.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat de medische gegevens onvoldoende objectieve aanwijzingen bevatten voor een blijvende ziekte of gebrek als gevolg van de ongevallen. Hoewel fibromyalgie werd vastgesteld, ontbraken objectiveerbare afwijkingen, en het weigeren van psychiatrisch onderzoek maakte een objectieve beoordeling van somatoforme stoornis en persoonlijkheidsproblematiek onmogelijk.

De Raad concludeerde dat de drie ongevallen in 1979 weliswaar leidden tot verwondingen zoals een gebroken neus en spierletsels, maar dat deze niet hebben geleid tot een blijvende invaliditeit. Ook aanvullende verklaringen en medische ingrepen in 2006 konden het oordeel niet wijzigen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het verzoek om militair invaliditeitspensioen wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van blijvende invaliditeit.

Uitspraak

06/7307 MPW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant)
tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 8 november 2006, 05/583 (hierna: aangevallen uitspraak)
in het geding tussen:
appellant
en
de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris)
Datum uitspraak: 30 augustus 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Namens de staatssecretaris is een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2007, waar appellant is verschenen en de staatssecretaris, zoals tevoren was gemeld, zich niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant, geboren in 1959, was vanaf 27 november 1978 reserve-soldaat der 1e klasse bij de Koninklijke Landmacht. Met ingang van 21 maart 1980 is aan hem eervol ontslag uit de dienst verleend.
1.2. Bij brief van 1 september 2003 is namens appellant verzocht hem in aanmerking te brengen voor een militair invaliditeitspensioen in verband met drie tijdens de dienst aan hem overkomen ongevallen.
1.3. Op 7 januari 2004 is ten aanzien van appellant een militair geneeskundig onderzoek (MGO) ingesteld, waarvan een rapport is opgemaakt op 16 maart 2004. Op grond van de uitslag van dit onderzoek heeft de staatssecretaris afwijzend op het verzoek van appellant beslist, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij besluit van 5 januari 2005.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het namens appellant tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3.1. De Raad sluit zich aan bij het door de rechtbank aangegeven wettelijk kader. In dit geding moet de vraag worden beantwoord of de staatssecretaris bij het bestreden besluit terecht heeft aangenomen dat geen sprake is van invaliditeit met dienstverband in de zin van artikel E11, eerste lid, van de - per 1 juni 2001 ingetrokken - Algemene militaire pensioenwet (Amp), zoals dat artikellid luidde ten tijde hier in geding.
3.2. De Raad beantwoordt die vraag met de rechtbank bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
3.2.1. Appellant heeft aangevoerd dat hij als gevolg van drie dienstongevallen lijdt aan fibromyalgie, Morbus Bechterew, Lumbago (spondylosis deformans), Morbus Crohn, een somatoforme stoornis en persoonlijkheidsproblematiek, welke ziekten zijn klachten van moeheid en klachten van de spieren en gewrichten kunnen verklaren en waardoor hij in een rolstoel terecht is gekomen. In het kader van het MGO is informatie ingewonnen bij de behandelend artsen van appellant en is appellant onderzocht door de orthopedisch chirurg Yard, die de in 1979 aan appellant overkomen dienstongevallen in beschouwing heeft genomen. Een en ander heeft de staatssecretaris tot de conclusie geleid dat de drie dienstongevallen niet hebben geleid tot een objectiveerbare en blijvende ziekte of gebrek.
3.2.3. Dat bij appellant de door hem naar voren gebrachte ziektebeelden bestaan wordt ook naar het oordeel van de Raad niet bevestigd door de zich onder de gedingstukken bevindende medische gegevens van de behandelend artsen, met uitzondering van de door de behandelend reumatoloog gestelde diagnose fibromyalgie in welk verband echter geen objectiveerbare afwijkingen zijn vastgesteld. Nu appellant voorts heeft geweigerd zich in het kader van het MGO te laten onderzoeken door een psychiater, ontbreekt ook voor de door hem aangevoerde somatoforme stoornis en persoonlijkheidsstoornis een objectieve onderbouwing.
3.2.4. Als gevolg van de drie aan appellant in 1979 overkomen dienstongevallen had hij respectievelijk een gebroken neus, een gescheurde dijbeenspier en verrekte rugspieren.
De Raad kan de staatssecretaris volgen in het op een zorgvuldige medische beoordeling gestoelde standpunt dat, voorzover thans al sprake is van in medische zin objectiveerbare klachten, niet aannemelijk is geworden dat de bij de drie ongevallen in 1979 opgelopen blessures hebben geleid tot blijvende ziekte of gebrek dan wel verergering daarvan. De Raad sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen. De door appellant in hoger beroep ingediende verklaring van zijn huisarts en hetgeen appellant ter zitting heeft aangevoerd omtrent een in 2006 door hem ondergane operatie, kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden.
4. Gezien het vorenstaande treft het hoger beroep geen doel en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2007.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) J.P. Schieveen.
HD
6.08