ECLI:NL:CRVB:2007:BB3883
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- A.B.J. van der Ham
- L.H. Waller
- Rechtspraak.nl
Langdurigheidstoeslag afgewezen wegens onvoldoende vastgestelde gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1997 bijstand en vroeg in maart 2005 een langdurigheidstoeslag aan. Het College van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage wees deze aanvraag af omdat appellante niet voldeed aan de eis van een ononderbroken periode van 60 maanden met een inkomen onder de bijstandsnorm. De rechtbank bevestigde dit oordeel mede op basis van een veronderstelde gezamenlijke huishouding met een partner die inkomsten boven de bijstandsnorm had.
In hoger beroep stelde appellante dat de gezamenlijke huishouding onvoldoende was vastgesteld. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat onvoldoende was komen vast te staan dat appellante en de partner in de relevante periode een gezamenlijke huishouding voerden. Hierdoor moesten de inkomsten van de partner buiten beschouwing blijven bij de beoordeling van de langdurigheidstoeslag.
De Raad vernietigde het bestreden vonnis voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand waren gelaten en beval het College om opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het College veroordeeld in de proceskosten en werd appellante het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Besluit afwijzing langdurigheidstoeslag vernietigd en College opgedragen opnieuw te beslissen.