ECLI:NL:CRVB:2007:BB3905
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- A.B.J. van der Ham
- L.H. Waller
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende bewijs voor gezamenlijke huishouding bij bijstandsintrekking
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder. Het College van B&W stelde dat appellante vanaf 14 augustus 2001 tot 28 februari 2002 een gezamenlijke huishouding voerde met [F.], wat tot intrekking van de bijstand leidde. Dit was gebaseerd op huisbezoek, observaties en een verhoor van appellante, waarin zij verklaarde dat [F.] regelmatig bij haar was.
De Raad stelt vast dat het bewijs onvoldoende is: het huisbezoek en observaties vonden buiten de relevante periode plaats, [F.] is niet gehoord en er zijn geen buurtonderzoeken gedaan. De verklaring van appellante is ambigu en kan niet eenduidig worden geïnterpreteerd als samenwoning.
De Raad oordeelt dat niet is aangetoond dat appellante en [F.] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden gedurende de betwiste periode. Hierdoor ontbreekt de wettelijke grondslag voor intrekking en terugvordering van bijstand. De rechtbank had dit niet onderkend, waardoor de uitspraak wordt vernietigd.
De Raad verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit van 30 juni 2005 en herroept de eerdere besluiten van 3 november 2003 en 20 december 2004. Tevens veroordeelt de Raad het College in de proceskosten en bepaalt dat griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.