ECLI:NL:CRVB:2007:BB4006
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid bij nabestaandenuitkering op basis van voltijdse functies
Betrokkene ontving sinds oktober 1999 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW), aanvankelijk vanwege de zorg voor een ongehuwd minderjarig kind en vanaf mei 2001 wegens arbeidsongeschiktheid. Appellant, de Sociale verzekeringsbank, beëindigde de uitkering per 1 juli 2004 met het standpunt dat betrokkene niet langer arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit, met het oordeel dat betrokkene medisch geschikt was voor voltijds arbeid, maar dat appellant moest aantonen dat de functies ook in deeltijd beschikbaar waren, omdat de maatman een thuishulp van 15 uur per week was.
In hoger beroep stelde appellant dat de maatman niet de deeltijdse thuishulp was, maar een voltijds werkloze die arbeid tegen het wettelijk minimumloon verricht, omdat betrokkene voor het intreden van haar arbeidsongeschiktheid langdurig niet werkte. De Raad volgde appellant en oordeelde dat bij toepassing van artikel 11 ANW Pro aansluiting moet worden gezocht bij de arbeidsongeschiktheidswetten, waarbij als maatman geldt degene die dezelfde functie vervulde als de verzekerde laatstelijk voor het intreden van arbeidsongeschiktheid. Omdat betrokkene sinds 1983 niet werkte en pas vanaf 2001 deeltijdse thuishulp was, geldt als maatman de voltijds werkloze die arbeid tegen het minimumloon verricht.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. Er was geen aanleiding om artikel 8:75 Awb Pro toe te passen. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 31 mei 2007.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de uitkering wordt beëindigd omdat de maatman voltijdse functies betreft.