ECLI:NL:CRVB:2007:BB4031
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Geen dringende redenen voor afzien van terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering
Appellante werd door het UWV een bedrag van €5.634,58 aan onverschuldigd betaalde WAO-uitkering teruggevorderd. Zij maakte bezwaar tegen deze terugvordering, dat door het UWV ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde dit besluit en stelde dat er geen dringende redenen waren om van terugvordering af te zien zoals bedoeld in artikel 57, vierde lid, van de WAO.
Appellante voerde aan dat zij door de terugvordering huursubsidie en belastingkwijtschelding misliep en een zeer laag inkomen heeft. Tevens stelde zij dat zij door de terugvordering spanningsklachten en verergerde longklachten had ontwikkeld, ondersteund door een verklaring van haar longarts. Het UWV stelde dat deze omstandigheden niet uitzonderlijk genoeg waren om van terugvordering af te zien.
De Raad overwoog dat een dringende reden alleen kan worden aangenomen bij onaanvaardbare sociale of financiële consequenties die uitzonderlijk en individueel afgewogen zijn. Het feit dat de terugvordering voortkomt uit een fout van het UWV is op zichzelf geen dringende reden. De Raad vond dat de betalingsregeling en de beslagvrije voet voldoende waarborgen boden en dat de medische verklaring geen dringende reden opleverde.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De beslissing benadrukt de strikte toepassing van de terugvorderingsregels en de hoge eisen voor het aannemen van dringende redenen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat geen dringende redenen bestaan om af te zien van terugvordering van onverschuldigd betaalde WAO-uitkering.