ECLI:NL:CRVB:2007:BB4056
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- J.Th. Wolleswinkel
- W. van den Brink
- Rechtspraak.nl
Ontslag docent Politieacademie wegens bezit en bewaring van verdovende middelen
Appellant, werkzaam als docent bij de Politieacademie, werd ontslagen wegens het bezit en de bewaring van verdovende middelen, waaronder heroïne en hasjiesj, die hij in 1998 als hulpofficier van justitie had ontvangen om te laten vernietigen maar in plaats daarvan mee naar huis had genomen en jarenlang bewaard.
De voorzieningenrechter van de rechtbank had het ontslagbesluit vernietigd wegens onevenredigheid en onvoldoende bewijs van opzet, maar stelde dat een minder zware disciplinaire maatregel passend zou zijn. Het college nam vervolgens een nieuw besluit waarin het ontslag werd gebaseerd op onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het ambt.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college terecht het ontslag op deze grond handhaafde, omdat appellant door zijn handelen zijn geloofwaardigheid als docent had geschaad. De Raad stelde echter vast dat de ingangsdatum van het ontslag onjuist was vastgesteld op 1 juli 2006 en bepaalde deze op 12 juli 2006, conform de wettelijke termijnen.
Daarnaast veroordeelde de Raad het college tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht van appellant. Het hoger beroep werd deels gegrond verklaard en deels niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van een zelfstandige appellabele beslissing in een onderdeel van de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het ontslag van appellant wordt bevestigd, maar de ingangsdatum wordt vastgesteld op 12 juli 2006 en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.