ECLI:NL:CRVB:2007:BB4271
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- H.G. Rottier
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAZ-uitkering na zorgvuldig arbeidsgeneeskundig onderzoek
Betrokkene ontving sinds 22 november 2000 een WAZ-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 45%. Op 20 oktober 2005 bezocht zij een verzekeringsarts in opleiding van het UWV, die dossieronderzoek verrichtte en geen lichamelijk onderzoek nodig achtte. Op basis van dit onderzoek stelde de arts een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op, waarop het UWV de intrekking van de uitkering per 23 januari 2006 baseerde.
Betrokkene maakte bezwaar tegen het besluit, dat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond omdat het arbeidsgeneeskundig onderzoek onvoldoende zorgvuldig zou zijn uitgevoerd, met name vanwege het ontbreken van een ondertekening door een supervisor en het ontbreken van een lichamelijk onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat het onderzoek voldoende zorgvuldig was, mede omdat in de bezwaarfase een geregistreerde verzekeringsarts het dossier beoordeelde en geen lichamelijk onderzoek noodzakelijk was gezien de aard van de klachten en eerdere rapportages. Tevens acht de Raad de conclusie over de belastbaarheid van betrokkene juist en stelt vast dat betrokkene de voorgehouden functies kan vervullen.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van het UWV ongegrond. De intrekking van de WAZ-uitkering is gerechtvaardigd omdat betrokkene functies kan vervullen waarmee zij een aanzienlijk hoger inkomen kan verdienen dan bij de toekenning van de uitkering was aangenomen.
Uitkomst: De intrekking van de WAZ-uitkering is terecht en het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard.