ECLI:NL:CRVB:2007:BB4914
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na eigen ontslag
Appellant werkte als buschauffeur via een uitzendovereenkomst bij het Gemeentelijk Vervoerbedrijf (GVB) te Amsterdam. Na een periode van vervangende hechtenis in april 2004 heeft appellant zijn werkzaamheden niet hervat. Hij vroeg een WW-uitkering aan, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij niet uit eigen beweging was gestopt, maar dat het GVB hem had ontslagen vanwege een roosterwijziging. De Raad oordeelde echter dat appellant zelf op 28 april 2004 de dienstbetrekking heeft beëindigd zonder dat voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.
De Raad baseerde dit oordeel op verklaringen van de werkgever en registratiegegevens waaruit bleek dat appellant telefonisch had aangegeven voorlopig te stoppen. Bovendien hervatte appellant zijn werkzaamheden bij het GVB kort daarna, wat het bedrijfseconomisch ontslag betwistbaar maakt.
Daarom is sprake van verwijtbare werkloosheid en was de weigering van de WW-uitkering door het Uwv terecht. De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de blijvende volledige weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.