ECLI:NL:CRVB:2007:BB4934

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 september 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-930 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens overschrijding bezwaartermijn in WW-boetezaak

Appellante kreeg een boete opgelegd door het UWV wegens het niet tijdig doorgeven van werkzaamheden tijdens een periode van WW-uitkering. Zij diende haar bezwaar ruim na de wettelijke termijn in. De rechtbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens deze termijnoverschrijding, omdat appellante geen verschoonbare omstandigheden had aangevoerd.

In hoger beroep erkende appellante haar te late indiening en voerde zij aan dat persoonlijke omstandigheden, zoals een chaotische periode door een nieuwe baan, de vertraging veroorzaakten. De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank in haar oordeel dat deze omstandigheden onvoldoende waren om de termijnoverschrijding te verontschuldigen.

De Raad merkte op dat de brief van appellante van 27 maart 2006 mogelijk ook als bezwaar tegen een eerder herzieningsbesluit kon worden opgevat, maar dat hierover geen beslissing door het UWV was genomen. De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 12 september 2007. Partijen waren bij de zitting niet verschenen. De Raad zag geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Het bezwaar van appellante tegen de boete van het UWV wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

Uitspraak

07/930 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te Arnhem (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 3 januari 2007, 06/5622 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 12 september 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2007, waar partijen -het Uwv met voorafgaand bericht- niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 22 maart 2006 heeft het Uwv de aan appellante toegekende WW-uitkering over de periode van 28 november 2005 tot en met 18 december 2005 herzien, omdat was gebleken dat appellante in die periode voor werkgever Randstad Projecten werkzaamheden heeft verricht.
Bij brief van -eveneens- 22 maart 2006 heeft het Uwv appellante meegedeeld mogelijk een boete van € 45,-- op te leggen in verband met het niet doorgeven van die werkzaam-heden. Hierbij is appellante -voordat de boete definitief wordt opgelegd- in de gelegenheid gesteld toe te lichten waarom deze informatie niet aan het Uwv is doorgegeven.
Bij brief van 27 maart 2006, gericht aan Uwv afdeling FPO BGBI, heeft appellante laten weten dat de werkzaamheden die zij via diverse uitzendbureaus heeft verricht door haar niet zijn vermeld op de werkbriefjes, omdat die werkzaamheden niet in de plaats zijn gekomen van de uren die zij werkloos is geworden uit haar baan bij haar ex-werkgever Agens.
Bij besluit van 31 maart 2006 heeft het Uwv appellante een boete opgelegd van € 45,--.
Bij brief van 1 augustus 2006 heeft appellante gesteld reeds bij brief van 27 maart 2006 bezwaar te hebben gemaakt tegen de opgelegde vordering en boete, maar daarop nog geen antwoord te hebben ontvangen.
Bij brief van 31 augustus 2006 heeft het Uwv de ontvangst bevestigd van het bezwaarschrift van appellante d.d. 1 augustus. Daarbij is appellante gevraagd om binnen vier weken schriftelijk te laten weten waarom zij haar bezwaar tegen het besluit over de boete-oplegging van 31 maart 2006 te laat heeft ingediend.
Bij brief van 29 september 2006 heeft appellante een reactie op de brief van 31 augustus 2006 ingezonden.
1.2. Bij het thans bestreden besluit van 4 oktober 2006 heeft het Uwv het bezwaar van appellante van 1 augustus 2006 tegen het besluit over de boete-oplegging van 31 maart 2006 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft uit de stukken afgeleid dat het besluit van 31 maart 2006 op die datum aan appellante is verzonden. Appellante heeft eerst bij brief van 1 augustus 2006 een bezwaarschrift ingediend, dat door het Uwv op 18 augustus 2006 is ontvangen, en dat dus ruimschoots te laat is ingediend. Appellante heeft dienaangaande bij de rechtbank aangevoerd dat zij wat chaotisch is en gewoon te laat heeft gereageerd. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar is te achten. Het Uwv heeft terecht besloten het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren, aldus de rechtbank.
3. Appellante heeft in hoger beroep erkend dat zij te laat was met het indienen van haar brief. Zij heeft aangegeven dat zij wat chaotisch was in verband met een nieuwe baan waarin zij veel van haar energie steekt.
4. De in hoger beroep aan de orde zijnde vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat appellante bij het bestreden besluit terecht niet-ontvankelijk is verklaard, beantwoordt de Raad bevestigend. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, bevat in vergelijking met hetgeen eerder is aangevoerd geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten terwijl hetgeen door de rechtbank is vastgesteld en overwogen door de Raad wordt onderschreven. Ook de Raad is niet gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan de termijnoverschrijding met betrekking tot het besluit over de boete-oplegging van 31 maart 2006 verschoonbaar is te achten.
5. De Raad merkt overigens nog op dat -naar het hem voorkomt- de brief van appellante van 27 maart 2006 tevens moet worden opgevat als een bezwaarschrift tegen het herzieningsbesluit van 22 maart 2006 en dat uit de gedingstukken niet blijkt dat het Uwv op dat bezwaar heeft beslist.
6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 september 2007.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) P. Boer.
BvW
129