ECLI:NL:CRVB:2007:BB4934
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens overschrijding bezwaartermijn in WW-boetezaak
Appellante kreeg een boete opgelegd door het UWV wegens het niet tijdig doorgeven van werkzaamheden tijdens een periode van WW-uitkering. Zij diende haar bezwaar ruim na de wettelijke termijn in. De rechtbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens deze termijnoverschrijding, omdat appellante geen verschoonbare omstandigheden had aangevoerd.
In hoger beroep erkende appellante haar te late indiening en voerde zij aan dat persoonlijke omstandigheden, zoals een chaotische periode door een nieuwe baan, de vertraging veroorzaakten. De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank in haar oordeel dat deze omstandigheden onvoldoende waren om de termijnoverschrijding te verontschuldigen.
De Raad merkte op dat de brief van appellante van 27 maart 2006 mogelijk ook als bezwaar tegen een eerder herzieningsbesluit kon worden opgevat, maar dat hierover geen beslissing door het UWV was genomen. De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 12 september 2007. Partijen waren bij de zitting niet verschenen. De Raad zag geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het bezwaar van appellante tegen de boete van het UWV wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.