ECLI:NL:CRVB:2007:BB5246
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening WAO-uitkering na medische herbeoordeling
Appellante, werkzaam als agrarisch medewerkster, viel in 1998 uit wegens rugklachten en ontving vanaf 1999 een WAO-uitkering van 80-100% arbeidsongeschiktheid. Het UWV herzag in 2004 haar uitkering naar 35-45%, wat werd bevestigd door de rechtbank en later door de Centrale Raad van Beroep. Een tweede herziening in 2005 leidde tot een waardering van 15-25% arbeidsongeschiktheid vanaf februari 2006, waarop appellante bezwaar maakte.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit over de tweede herziening wegens ondeugdelijke motivering, maar handhaafde de rechtsgevolgen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraken en oordeelt dat de medische beperkingen en geschiktheid voor passende functies door verzekeringsartsen juist zijn vastgesteld. De Raad acht de beschikbare medische informatie en rapportages van diverse verzekeringsartsen en specialisten voldoende en sluit zich aan bij hun oordeel.
De Raad ziet geen aanleiding om het UWV te veroordelen in proceskosten en wijst de grieven van appellante af, die vooral een herhaling van eerdere bezwaren betreffen. De uitspraken bevestigen daarmee de rechtmatigheid van de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid en de toepassing van het aangepaste schattingsbesluit.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante heeft vastgesteld en wijst het hoger beroep af.