ECLI:NL:CRVB:2007:BB5350
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.F. Bandringa
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van niet-toegenomen arbeidsongeschiktheid volgens UWV-besluit
Appellant stelde dat zijn arbeidsongeschiktheid sinds 11 mei 2003 was toegenomen door psychische klachten en maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV dat dit ontkende. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat het onderzoek van de UWV-verzekeringsarts zorgvuldig was en de medische informatie van huisarts en psychiater was betrokken.
In hoger beroep werd betoogd dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en werd verzocht een deskundige psychiater in te schakelen. Een verklaring van een psychiater werd echter pas kort voor de zitting ingediend en door de Raad buiten beschouwing gelaten vanwege het schaden van de procespositie van het UWV.
De Raad oordeelde dat de aangevoerde medische onderbouwing onvoldoende objectief-medisch bewijs bevatte om het standpunt van het UWV te weerleggen. Ook de huisartsrapportages toonden geen aanwijzingen voor toegenomen psychische problematiek. Daarom werd de uitspraak van de rechtbank bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant niet toegenomen arbeidsongeschikt is sinds 11 mei 2003 en verklaart het beroep ongegrond.